Filosofie - Socrates

De tijdreis van de filosofie

Socrates

ca. 470 -399 v. Chr, Griekenland

1 / 5
suivant
Slide 1: Slide
newEditorKunstBurgerschapskunde+3BasisschoolMiddelbare schoolMBOISKSpeciaal OnderwijsPraktijkonderwijs

Cette leçon contient 5 diapositives, avec quiz interactif et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 15 min

Introduction

Deze les is onderdeel van een serie korte filosofielessen. Zij zijn een laagdrempelige manier om de leerlingen kennis te laten maken met de grote filosofen. In de les is dat Socrates. Wat was zijn filosofie, welke vragen stelde hij en om welke uitspraken werd hij bekend? De leerlingen maken kennis met filosofische vragen, gaan zelf filosoferen en trekken de uitspraken van oude filosoferen naar het nu. Hoe denken zij erover? Is het nu nog relevant? Laat ze vooral nadenken, twijfelen en ontdekken! In de notities staan bij sommige dia's verdiepende vragen of tips om er een volwaardige les van te maken.

Instructions

Probeer tijdens deze les je leerlingen op weg te helpen met sterke doorvragen.

1. Wat is een filosofische doorvraag
Het is een verdiepende vraag over wat de leerling net zei.
Het doel is niet: de leerling naar het “goede” antwoord leiden, maar om samen te onderzoeken wat de leerling bedoelt, waarom hij dat denkt en hoe hij dat kan onderbouwen. Oftewel:
- Denk niet: “Hoe krijg ik een beter antwoord?”
- Denk wel: “Hoe kan ik het kind helpen in zijn denkproces?"

2. De basis van een goede doorvraag
Goede doorvragen zijn:
  • Open (nodigen uit tot denken, geen ja/nee)
  • Nieuwsgierig (je wilt echt begrijpen wat het kind bedoelt)
  • Vertragend (je blijft even bij één gedachte, niet te snel naar de volgende)
  • Onderzoekend, niet beoordelend
3. Soorten doorvragen + voorbeeldzinnen
Hieronder vind je categorieën van doorvragen die goed werken bij kinderen (groep 6–8), met concrete voorbeelden die je direct kunt gebruiken in de klas.
  • Verhelderende doorvragen: Helpen om beter te begrijpen wat iemand bedoelt.
    “Wat bedoel je precies met …?”
    “Kun je dat uitleggen in andere woorden?”
    “Kun je een voorbeeld geven?”
    “Hoe weet je dat?”
    “Wat zou je bedoelen met ‘eerlijk’ (of ‘geluk’, ‘vrijheid’, …)?”
    Gebruik bij vage of grote woorden.
  • Onderzoekende doorvragen: Helpen om dieper te denken of een reden te vinden.
    “Waarom denk je dat?"
    "Wat maakt dat belangrijk voor jou?”
    “Zou iemand daar ook anders over kunnen denken?”
    “Wat zou er gebeuren als iedereen dat vond?”
    “Is dat altijd zo, of soms?”
    Gebruik bij overtuigingen of algemene uitspraken.
  • Doorvragen op tegenstellingen of uitzonderingen: Helpen om kritisch te denken en grenzen te verkennen.
    “Kan het ook anders zijn?”
    “Wat zou het tegenovergestelde zijn?”
    “Kun je een situatie bedenken waarin dat niet klopt?”
    “Wanneer zou het moeilijk zijn om dat te doen?”
    Gebruik als iemand iets heel stellig zegt.
  • Doorvragen op betekenis of waarde: Helpen om te onderzoeken waarom iets belangrijk is.
    “Waarom vind je dat belangrijk?”
    “Wat zegt dat over wat jij goed of slecht vindt?”
    “Is dat eerlijk voor iedereen, denk je?”
    “Wanneer is iets écht goed?”
    Gebruik bij morele of existentiële thema’s.
4. Praktische tips voor de docent
  • Luister traag – wacht 3 tellen voordat je reageert. Kinderen hebben tijd nodig om te denken.
  • Herhaal en spiegel – zeg bijvoorbeeld: “Dus jij zegt eigenlijk dat vrijheid betekent dat je zelf mag kiezen?” Dat laat zien dat je luistert en helpt anderen mee te denken.
  • Gebruik “waarom” spaarzaam – te vaak “waarom?” kan als ondervraging voelen. Wissel af met: “Hoe weet je dat?”, “Wat maakt dat zo?” of “Kun je dat uitleggen?”.
  • Blijf neutraal: reageer niet met “goed zo” of “dat klopt niet”, maar met: “Interessant dat je dat zegt, kun je dat toelichten?”
  • Laat leerlingen elkaar doorvragen: geef beurten en modelleer de houding. “Wie kan hierop doorvragen?”
Zo wordt het een écht filosofisch gesprek, geen Q&A met de docent.

5. Samenvattend ezelsbruggetje: “D-E-N-K”
Gebruik dit geheugensteuntje om tijdens een gesprek te onthouden hoe je doorvraagt:
D – Doorvragen: Blijf even bij één gedachte.
E – Exploreren: Onderzoek wat iemand bedoelt.
N – Nieuwsgierig: Stel vragen zonder oordeel.
K – Koppelen: Verbind ideeën van leerlingen met elkaar.

Éléments de cette leçon

De tijdreis van de filosofie

Socrates

ca. 470 -399 v. Chr, Griekenland

Cet élément n'a pas d'instructions

De tijdreis van de filosofie

We reizen langs de bekendste filosofen om te ontdekken welke vragen hen bezighielden. We beginnen bij de oude Grieken met de vragen van Socrates.

Door Socrates gaat de filosofie nu over vragen en problemen van mensen. Voor hem was het belangrijk dat mensen zelf gingen nadenken.

Dat deed hij door in zijn gesprekken vragen te blijven stellen. Zo dwong hij mensen na te denken over hun leven, gewoontes en wat goed of slecht is. En hij sprak met iedereen. Door al die vragen ontdekten mensen dat ze eigenlijk niet zoveel écht zeker wisten.


De machthebbers vonden Socrates maar een lastige man.



Zodat ze niet alles geloofden wat anderen (de machthebbers) hen leerden of vertelden.


Ze wilden een volk dat naar hen luisterde, niet een volk dat zelf na ging denken.


Socrates kreeg de keus: stoppen met zijn vragen of de gifbeker drinken. Socrates zou nooit stoppen met het stellen van vragen, dus koos hij ervoor de gifbeker te drinken.


Cet élément n'a pas d'instructions

1

Wie met weinig kan leven is heel rijk

2

De slimste mens is degene die weet dat hij niet alles weet

3

Onwetendheid is de bron van alle kwaad

Welke uitspraak van Socrates vind jij

het mooist?

Bespreek met de leerlingen waarom een bepaalde uitspraak hen aanspreekt.
- Wat vinden ze er mooi aan?

- Wat betekent de uitspraak volgens hen?

- Het zijn al hele oude uitspraken. Maar vind je dat ze nog steeds van belang zijn?
- Wat is de betekenis van deze uitspraak in hun eigen leven?

- Pittige vraag: Snap waarom juist deze filosoof deze vraag heeft gesteld?

Wat denk jij?



Kan je slim zijn, zonder alles te weten?

Dit is de filosofische vraag van deze les, in het gedachtengoed van Socrates.
'Kan je slim zijn, zonder alles te weten?'

Zo ja, hoeveel moet je dan weten om slim te zijn? Of kan je ook op een andere manier slim zijn? Hoe dan? Wat ís slim zijn eigenlijk? Ken je iemand die slim is? Weet die persoon alles?
Daag de leerlingen uit om zelf ook met vragen te komen en probeer te voorkomen dat er een goed antwoord nodig is of dat de vragen grappig of ridiculiserend worden.
Je wilt een open gesprek met de klas hierover.
- Zijn alle geleerden slim? Bestaan de stammen in de bossen van het Zuid Amerikaanse regenwoud dan alleen maar uit niet slimme mensen? Of zijn die ánders slim? Ben jij slim? Op welke manier? Wanneer mag je jezelf slim noemen? Of..is iederéén slim? En hoe zie jij dat dan?

- Ben je ook slim als je doet alsof je alles weet?
Tips:

- Start met een korte Algemene Kennis Quiz (zie het Quiz kanaal van LessonUp). Is degene met de meeste goede antwoorden slim? Is dan iemand met minder goede antwoorden niet slim?

- Vraag eens naar een persoon die je leerlingen heel slim vinden. Waarom is die persoon slim? Wat weet deze persoon allemaal? Weet deze persoon ook álles? Wat zegt dat over deze persoon?

- Laat de leerlingen een slim idee opschrijven en beargumenteren waarom ze het slim vinden en wat dit slimme idee hen/de wereld/de mens/de dieren oplevert.

De tijdreis van de filosofie

Socrates

ca. 470 -399 v. Chr, Griekenland

Klik hier voor meer lessen over filosofie

Cet élément n'a pas d'instructions