Filosofie - René Descartes

De tijdreis van de filosofie

René Descartes

1596 - 1650, Frankrijk

1 / 7
suivant
Slide 1: Slide
newEditorLevensbeschouwingGeschiedenis+3BasisschoolMiddelbare schoolMBOvmbo, mavo, havo, vwoGroep 6-8Leerjaar 1-3

Cette leçon contient 7 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 15 min

Introduction

Deze les is onderdeel van een serie korte filosofielessen. Zij zijn een laagdrempelige manier om de leerlingen kennis te laten maken met de grote filosofen. In de les is dat René Descartes. Wat was zijn filosofie, welke vragen stelde hij en om welke uitspraken werd hij bekend? De leerlingen maken kennis met filosofische vragen, gaan zelf filosoferen en trekken de uitspraken van oude filosoferen naar het nu. Hoe denken zij erover? Is het nu nog relevant? Laat ze vooral nadenken, twijfelen en ontdekken! In de notities staan bij sommige dia's verdiepende vragen of tips om er een volwaardige les van te maken.

Instructions

Probeer tijdens deze les je leerlingen op weg te helpen met sterke doorvragen.

1. Wat is een filosofische doorvraag
Het is een verdiepende vraag over wat de leerling net zei.
Het doel is niet: de leerling naar het “goede” antwoord leiden, maar om samen te onderzoeken wat de leerling bedoelt, waarom hij dat denkt en hoe hij dat kan onderbouwen. Oftewel:
- Denk niet: “Hoe krijg ik een beter antwoord?”
- Denk wel: “Hoe kan ik het kind helpen in zijn denkproces?"

2. De basis van een goede doorvraag
Goede doorvragen zijn:
  • Open - nodigen uit tot denken, geen ja/nee
  • Nieuwsgierig - je wilt echt begrijpen wat het kind bedoelt
  • Vertragend - je blijft even bij één gedachte, niet te snel naar de volgende
  • Onderzoekend, niet beoordelend
3. Soorten doorvragen + voorbeeldzinnen
Hieronder vind je categorieën van doorvragen die goed werken bij kinderen (groep 6–8), met concrete voorbeelden die je direct kunt gebruiken in de klas.
  • Verhelderende doorvragen: Helpen om beter te begrijpen wat iemand bedoelt.
    “Wat bedoel je precies met …?”
    “Kun je dat uitleggen in andere woorden?”
    “Kun je een voorbeeld geven?”
    “Hoe weet je dat?”
    “Wat zou je bedoelen met ‘eerlijk’ (of ‘geluk’, ‘vrijheid’, …)?”

    Gebruik bij vage of grote woorden.
  • Onderzoekende doorvragen: Helpen om dieper te denken of een reden te vinden.
    “Waarom denk je dat?"
    "Wat maakt dat belangrijk voor jou?”
    “Zou iemand daar ook anders over kunnen denken?”
    “Wat zou er gebeuren als iedereen dat vond?”
    “Is dat altijd zo, of soms?”

    Gebruik bij overtuigingen of algemene uitspraken.
  • Doorvragen op tegenstellingen of uitzonderingen: Helpen om kritisch te denken en grenzen te verkennen.
    “Kan het ook anders zijn?”
    “Wat zou het tegenovergestelde zijn?”
    “Kun je een situatie bedenken waarin dat niet klopt?”
    “Wanneer zou het moeilijk zijn om dat te doen?”

    Gebruik als iemand iets heel stellig zegt.
  • Doorvragen op betekenis of waarde: Helpen om te onderzoeken waarom iets belangrijk is.
    “Waarom vind je dat belangrijk?”
    “Wat zegt dat over wat jij goed of slecht vindt?”
    “Is dat eerlijk voor iedereen, denk je?”
    “Wanneer is iets écht goed?”

    Gebruik bij morele of existentiële thema’s.
4. Praktische tips voor de docent
  • Luister traag – wacht 3 tellen voordat je reageert. Kinderen hebben tijd nodig om te denken.
  • Herhaal en spiegel – zeg bijvoorbeeld: “Dus jij zegt eigenlijk dat vrijheid betekent dat je zelf mag kiezen?” Dat laat zien dat je luistert en helpt anderen mee te denken.
  • Gebruik “waarom” spaarzaam – te vaak “waarom?” kan als ondervraging voelen. Wissel af met: “Hoe weet je dat?”, “Wat maakt dat zo?” of “Kun je dat uitleggen?”.
  • Blijf neutraal: reageer niet met “goed zo” of “dat klopt niet”, maar met: “Interessant dat je dat zegt, kun je dat toelichten?”
  • Laat leerlingen elkaar doorvragen: geef beurten en modelleer de houding. “Wie kan hierop doorvragen?”
Zo wordt het een écht filosofisch gesprek, geen Q&A met de docent.

5. Samenvattend ezelsbruggetje: “D-E-N-K”
Gebruik dit geheugensteuntje om tijdens een gesprek te onthouden hoe je doorvraagt:
D – Doorvragen: Blijf even bij één gedachte.
E – Exploreren: Onderzoek wat iemand bedoelt.
N – Nieuwsgierig: Stel vragen zonder oordeel.
K – Koppelen: Verbind ideeën van leerlingen met elkaar.

Éléments de cette leçon

De tijdreis van de filosofie

René Descartes

1596 - 1650, Frankrijk

Cet élément n'a pas d'instructions

Net als de andere filosofen wilde René de wereld begrijpen. Dat deed hij door aan alles te twijfelen.

De tijdreis van de filosofie

De filosofen voor Descartes begonnen met denken bij de dingen die al bekend waren of wat ze van leraren leerden. René vond dat je eerst moest twijfelen aan alles wat je hoort en ziet, om dan met je verstand zelf te ontdekken wat waar is.

Toen René begon met twijfelen, bedacht hij: Als ik kan nadenken, dan moet ik wel leven! Daar komt zijn beroemde uitspraak uit voort: "Ik denk, dus ik ben."



René's manier van denken hielp wetenschappers en filosofen later (en nu nog steeds) om nieuwe ontdekkingen te doen. Eerst twijfelen, dan onderzoeken om uiteindelijk te weten.


In de 17e eeuw vond de Wetenschappelijke Revolutie plaats en die bracht grote veranderingen in de wetenschap en kennis. Het was de tijd van René Descartes.


die geloo Hij vond dat je niet alles zomaar moest geloven wat anderen zeggen, maar dat je zelf moest onderzoeken wat echt waar is.

Cet élément n'a pas d'instructions

1

Ik denk, dus ik ben

2

Om de waarheid te onderzoeken, moet je soms alles in twijfel trekken

3

Iedereen wil zichzelf gelukkig maken, maar niet iedereen weet hoe

Welke uitspraak van René Descartes vind jij het mooist?

Bespreek met de leerlingen waarom een bepaalde uitspraak hen aanspreekt.
- Wat vinden ze er mooi aan?

- Wat betekent de uitspraak volgens hen?

- Het zijn al hele oude uitspraken. Maar vind je dat ze nog steeds van belang zijn?
- Wat is de betekenis van deze uitspraak in hun eigen leven?

- Pittige vraag: Snap waarom juist deze filosoof deze vraag heeft gesteld?

Wat denk jij?



Hoe weet jij zeker dat

dit geen droom is?

De filosofische vraag van deze les is: 'Hoe weet jij zeker dat dit geen droom is?'
Zet de leerlingen aan toch nadenken met bijvoorbeeld de volgende vragen:

Wat is het verschil tussen wat je ziet in een droom en wat je nu ziet? Maakt dat een droom minder echt? Hoe zeker weet jij dat je droom niet echt is? Gaat de wereld van je droom door als jij wakker bent? Hoe belangrijk is het om zeker te weten dat iets echt is? Geldt dat voor alles? Denk bijvoorbeeld aan een boek, film of muziek. Is bijvoorbeeld de muziek op Spotify minder echt als de muziek tijdens een concert? En hoe echt is bijvoorbeeld Sinterklaas of de kerstman? Je kán Sinterklaas aanraken, hij heeft een echt paard, maar is hij echt? En waarom voelt iedereen spanning als Sinterklaas binnenkomt? Is die spanning echt?
Tips:
- Laat de kinderen nog een voorbeeld noemen van iets dat niet echt is, maar waar mensen wel 'echt' op reageren. Laat ze daar in groepjes over filosoferen.

- Hoe echt is jouw lievelingsboek? Laat de leerlingen nadenken over een personage uit een boek dat hen heel erg aanspreekt. Is dat personage echt? Zijn de gevoelens of de inspiratie die dit personage je geeft echt? Maakt het uit of een verhaal echt gebeurd is of niet?

- Weet jij je laatste droom nog? Schrijf deze op en ga eens bekijken of je kan vinden waar deze begint te lijken op jouw 'echte' wereld. Of weet je misschien waar de droom vandaan kwam? Hoe echt is zo'n droom dan? En hoe echt ben je nú?

René - hier en nu

Stel je voor: René Descartes loopt door onze wereld. Hij zou niet alles geloven wat hij ziet, hoort of op een scherm leest.

Het zou hem opvallen dat we elke dag veel keuzes maken, terwijl er overal meningen, regels en reclames om ons heen zijn.

?

Dat vindt René razend interessant. Hij zou je vragen: "Hoe weet je eigenlijk of een keuze écht van jou is? Het beslis jij dan welke keuze je maakt?

?
?
?

René twijfelde aan alles. Aan wat hij zag, hoorde en zelfs aan wat hij dacht. Hij zocht naar dat ene ding dat 100% zeker is; iets dat nooit fout kan zijn. Door al dat twijfelen wist hij één ding zeker: als je denkt, dan weet je zeker dat je bestaat.

Om jou ook zo diep te laten nadenken, stelt hij je de volgende vraag:

Cet élément n'a pas d'instructions

Vraag van René Descartes aan jou:


René was door al dat twijfelen over één ding zeker; als je denkt, dan weet je zeker dat je bestaat. Wat hij aan jou zou willen vragen:

  • Noem eens iets waar je nooit aan twijfelt.

  • Stel jezelf nu eens drie vragen die je toch aan het twijfelen brengen.

  • Wat gebeurt er dan in je hoofd?

Docenteninstructie:
Stap 1: Laat de leerlingen iets opschrijven waar ze niet aan twijfelen (bijv: "De zon komt morgen op" of "Mijn naam is Sam").

Stap 2: Laat ze, net als Descartes, eens twijfelen over deze zekerheid. Welke vragen kunnen ze dan stellen?

Stap 3: Bespreek het gevoel dat ze dan krijgen. Wordt je onzeker, onrustig of verward? Dat is precies het denken waar Descartes het over had!
Tip: Maak duo's en laat de leerlingen elkaar aan het twijfelen brengen. Welke vragen kunnen ze elkaar stellen? En wat doet dat met de ander?

De tijdreis van de filosofie

Klik hier voor meer lessen over filosofie

René Descartes

1596 - 1650, Frankrijk

Cet élément n'a pas d'instructions