Rekensommen: optellen tot delen
Rekensommen: optellen tot delen
Wat weet je al over het maken van rekensommen?
Leerdoel van deze les
Aan het einde van deze les kun je verschillende soorten rekensommen oplossen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
Wat is een rekensom?
Een rekensom is een wiskundige opgave waarbij je een bewerking uitvoert met getallen.
De vier basisbewerkingen
In deze les leer je over optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
Optellen
Bij optellen tel je getallen bij elkaar op. Bijvoorbeeld: 5 + 3 = 8.
Aftrekken
Bij aftrekken haal je een getal van een ander getal af. Bijvoorbeeld: 9 - 4 = 5.
Vermenigvuldigen
Vermenigvuldigen is hetzelfde getal meerdere keren bij elkaar optellen. Bijvoorbeeld: 4 × 2 = 8.
Delen
Delen betekent dat je een getal verdeelt in gelijke stukken. Bijvoorbeeld: 12 ÷ 3 = 4.
Waarom zijn rekensommen belangrijk?
Je gebruikt rekensommen elke dag: bij het winkelen, koken of als je je spullen wilt verdelen.
Rekensommen in het dagelijks leven
Voor beeld: uitrekenen hoeveel snoepjes iedereen krijgt bij een traktatie.
Zo werk je een rekensom uit
Stap 1: Lees de som goed.
Controleer welke bewerking nodig is: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen of delen.
Stap 2: Voer de bewerking uit.
Gebruik getallenlijn, vingers of hoofdrekenen om het antwoord te vinden.
Tips voor rekensommen
- Werk netjes - Controleer je antwoord - Gebruik hulpmiddelen als een rekenmachine of kladblaadje
Hoofdrekenen
Probeer eens een rekensom uit je hoofd te maken. Dat kan sneller dan je denkt!
Een getallenlijn gebruiken
Met een getallenlijn kun je sommen overzichtelijk maken, vooral bij optellen en aftrekken.
Kladpapier is handig
Schrijf tussenstappen op kladpapier. Zo kun je later makkelijk je werk nakijken.
Zelf oefenen: optellen
Oefening: Los op 7 + 6 = ...
Zelf oefenen: aftrekken
Oefening: Los op 13 - 5 = ...
Zelf oefenen: vermenigvuldigen
Oefening: Los op 3 × 4 = ...
Zelf oefenen: delen
Oefening: Los op 15 ÷ 3 = ...
Hoe weet je of je het goed hebt?
Controleer je antwoord door de som om te draaien, bijvoorbeeld 4 × 2 = 8 en 8 ÷ 2 = 4.
Laatste tip: blijf oefenen!
Hoe vaker je rekent, hoe makkelijker rekensommen voor je worden.
Goed gedaan! Kun jij nu alle rekensommen oplossen?
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.