P3H Connaître + Poser une question

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen 
  • Ik kan in het Frans op 3 manieren een vraag stellen, met en zonder vraagwoord

Slide 2 - Tekstslide

Comment poser une question?

Slide 3 - Tekstslide

Poser une question

Tekstboek blz 44 

  • zonder vraagwoord
  • met vraagwoord
  • het vraagwoord quel

Slide 4 - Tekstslide

Poser une question (1)

Zonder vraagwoord:
1. Zin + ?
BV: Vous avez des tomates?
2. Est-ce que + zin + ?
BV: Est-ce que vous avez des tomates?
3. Inversie + zin + ?
BV: Avez-vous des tomates?
Let op!  
Inversie is het omdraaien van het onderwerp en de persoonsvorm. De persoonsvorm komt dan vooraan te staan.

Inversie mag alleen als het onderwerp een persoonlijk voornaamwoord is.
Dus géén namen of zelfstandig naamwoord.



Slide 5 - Tekstslide

Poser une question
Vous avez vu le film.
Vous avez vu le film?
Avez-vous vu le film?
Est-ce que vous avez vu le film?

Slide 6 - Tekstslide

Poser une question
Elle joue au foot.
Elle joue au foot?
Joue-t-elle au foot?
Est-ce qu' elle joue au foot?

Slide 7 - Tekstslide

Poser une question
Zonder vraagwoord:
- gewone zin, vragend uitgesproken
- est-ce que + gewone zin
- omkering onderwerp en persoonsvorm

Met vraagwoord:
- vraagwoord + est-ce que + gewone zin

Slide 8 - Tekstslide

Vraagwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Vraagwoorden
Pourquoi - Waarom
Quand - Wanneer
Quoi - Wat
Qu'est-ce que - Wat is het dat (= Wat)
Où - Waar
Qui - Wie
Comment - Hoe

Slide 10 - Tekstslide

Poser une question
Tu fais du sport. (quand)

Tu fais du sport quand?
Quand fais-tu du sport?
Quand est-ce que tu fais du sport?

Slide 11 - Tekstslide

Het vraagwoord quel
 quel        ->  verandert mee met het znw waar het bij hoort of                                   waarop het slaat.

mnl ev    ->    quel
vrl    ev    ->    quelle
mnl mv  ->     quels
vrl    mv  ->     quelles  

Slide 12 - Tekstslide

Het vraagwoord quel
        quel / quelle / quels / quelles   +   vorm van être  =  wat
                     (Wat + is/zijn + zelfstandig naamwoord)

Quelle est ta matière préférée?  =  Wat is je lievelingsvak?
Quel est ton plat préféré?              =  Wat is je lievelingsgerecht?
Quels sont vos hobbys?                =  Wat zijn uw hobbys?
                  In alle andere gevallen betekent quel welke.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide