De leerling kan twee verschillende percentages vergelijken als het totaal even groot is.
Slide 2 - Tekstslide
Algemene instructie In deze en in de volgende uitleg leren leerlingen percentages vergelijken. Een percentage alleen zegt niks over de bijbehorende hoeveelheid, omdat een percentage altijd een deel van het totaal is. Je kunt percentages dus alleen vergelijken als of het totaal of de percentages gelijk zijn. In deze uitleg gaan leerlingen twee verschillende percentages vergelijken waarvan het totaal even groot is. In Uitleg 7 gaan ze twee dezelfde percentages vergelijken waarvan de totalen niet even groot zijn.
Uitleg 6
Slide 3 - Tekstslide
Begin de uitleg met een concreet voorbeeld.
Geef 2 leerlingen een biljet van € 100.
Vertel tegen leerling 1 dat hij 50% moet sparen.
Vertel tegen leerling 2 dat hij 25% moet sparen.
• Krijgen beide leerlingen evenveel geld?
Ja
• Is het percentage dat ze sparen hetzelfde?
Nee
• Welke leerling spaart het meeste geld?
De leerling die 50% van € 100 spaart, spaart het meeste geld. De leerlingen hoeven hier nog niet het antwoord uit te rekenen, maar ze moeten wel beseffen dat de helft van een bedrag meer is dan een kwart van datzelfde bedrag.
Klas 3A: 20 leerlingen
Klas 3B: 20 leerlingen
Slide 4 - Tekstslide
Bespreek vervolgens het voorbeeld uit de uitleg.
Klas 3A en klas 3B hebben een toets voor Engels gemaakt.
In beide klassen zitten 20 leerlingen.
• Teken 2 cirkels van gelijke grootte op het bord.
Schrijf boven de eerste cirkel: Klas 3A: 20 leerlingen.
Schrijf boven de tweede cirkel: Klas 3B: 20 leerlingen.
• Hoeveel leerlingen is 100% van klas 3A?
20 leerlingen
• En hoeveel leerlingen is 100% van klas 3B?
20 leerlingen
• In klas 3A heeft 80% een voldoende.
Kleur ongeveer 80% van de cirkel en schrijf 80% onder de cirkel.
• In klas 3B heeft 75% een voldoende.
Kleur ongeveer 75% van de cirkel en schrijf 75% onder de cirkel.
In welke klas hebben meer leerlingen een voldoende voor Engels?
• Is het totaal even groot?
Ja, want in beide klassen zitten evenveel leerlingen.
• Zijn de percentages hetzelfde?
Nee, in klas 3A heeft 80% een voldoende en in klas 3B heeft 75% een voldoende.
In welke klas hebben dus meer leerlingen een voldoende voor Engels?
Omdat het totaal gelijk is, kun je de percentages vergelijken. 80% is meer dan 75%, dus in klas 3A hebben meer leerlingen een voldoende voor Engels.
Vouwblaadjes
Slide 5 - Tekstslide
Ondersteuning
De uitleg kan visueel ondersteund worden door 2 vouwblaadjes van gelijke grootte te gebruiken.
Laat de leerling van het ene vouwblaadje 25% kleuren en van het andere vouwblaadje 50%.
• Zijn beide vouwblaadjes even groot?
Ja
• Is het totaal dus even groot?
Ja
• Zijn de percentages hetzelfde?
Nee, 25% en 50% zijn niet hetzelfde.
• Van welk vouwblaadje is het grootste deel gekleurd?
Omdat beide vouwblaadjes even groot zijn, kun je de percentages vergelijken. 50% is meer dan 25%, dus van het vouwblaadje met 50% is het grootste deel gekleurd.
Vergelijk daarna de percentages 50% en 90% op dezelfde manier.
90% is lastig om precies aan te geven op een vouwblaadje. Het is hierbij voldoende om te beseffen dat 90% iets minder is dan het totaal, het volstaat dan ook om bij het vouwblaadje met 90% iets minder dan het totaal te kleuren.
Slide 6 - Tekstslide
Bij opdracht 13 zijn de denkstappen zoals in opdracht 12 weggelaten. Laat de leerlin eventueel deze dnkstappen erbij houden.
Uitleg 7
Doel De leerling kan twee dezelfde percentages vergelijken waarvan de totalen niet even groot zijn.
Slide 7 - Tekstslide
Algemene instructie
In deze uitleg gaan leerlingen net als in de vorige uitleg percentages vergelijken. Een percentage alleen zegt niks over de bijbehorende hoeveelheid, omdat een percentage altijd een deel van het totaal is. Je kunt percentages dus alleen vergelijken als of het totaal of de percentages gelijk zijn. In de vorige uitleg hebben leerlingen twee verschillende percentages vergelijken waarvan het totaal even groot is. In deze uitleg gaan ze twee dezelfde percentages vergelijken waarvan de totalen niet even groot zijn. De leerlingen leren dus dat de hoeveelheid die hoort bij een percentage afhangt van de grootte van het geheel.
Voorbeeld
Slide 8 - Tekstslide
Begin de uitleg met een concreet voorbeeld.
Geef 1 leerling een biljet van € 100 en een andere leerling een biljet van € 200.
Vertel tegen beide leerlingen dat ze hiervan 50% moeten sparen.
• Krijgen beide leerlingen evenveel geld?
Nee
• Is het percentage dat ze sparen hetzelfde?
Ja
• Wie spaart het meeste geld?
De leerling die € 200 heeft gekregen, spaart het meeste geld. De leerlingen hoeven hier nog niet het antwoord uit te rekenen, maar ze moeten wel beseffen dat de helft van een groot bedrag meer is dan de helft van een klein bedrag.
Uitleg 2
Slide 9 - Tekstslide
Algemene instructie
In deze uitleg leren leerlingen de betekenis van de percentages 0%, 50% en 100% en leggen ze de koppeling met de bijbehorende woorden zoals niets, helft en helemaal. De leerlingen hebben vaak al een beeld bij deze woorden. Door de koppeling van veel voorkomende percentages aan de bijbehorende woorden zullen de leerlingen eerder begrijpen wat een percentage precies inhoudt.
Bespreek de voorbeelden uit deze uitleg.
• De bol bestaat voor 100% uit katoen. 100% is het totaal. Andere woorden voor 100% zijn: alles, iedereen en helemaal.
• Wat betekent de 100% op de verpakking?
100% katoen, dus deze bol is helemaal van katoen.
• Waar kom je 100% nog meer tegen?
Bijvoorbeeld: De batterij van je telefoon is 100% opgeladen.
Bespreek op dezelfde manier de andere voorbeelden uit deze uitleg.
100 gram
300 gram
Slide 10 - Tekstslide
• Hoeveel gram is 100% van de kleine zak?
100 gram
• Hoeveel gram is 100% van de grote zak?
300 gram
• In de kleine zak zit 25% vet.
Verdeel de kleine rechthoek in 4 gelijke delen en kleur 25%.
• In de grote zak zit ook 25% vet.
Verdeel de grote rechthoek in 4 gelijke delen en kleur 25%.
In welke zak zit meer vet?
• Is het totaal even groot?
Nee, want je hebt een kleine en een grote zak.
• Zijn de percentages vet hetzelfde?
Ja, in beide zakken zit 25% vet.
• In welke zak zit dus meer vet?
Omdat de percentages gelijk zijn, kun je de hoeveelheden vet vergelijken. 300 gram is meer dan 100 gram, dus in de grote zak zit meer vet.
Herhaal deze vragen bij het voorbeeld uit de uitleg.
Maken:
Opdracht 12 tm 16 Klaar? * Afmaken wat nog niet af was