Universeel indicatorpapier in een koker (foto: GOKLuLe, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Examentraining
Zuren en basen: zo pak je examenvragen aan
Universeel indicatorpapier in een koker (foto: GOKLuLe, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Examentraining
Zuren en basen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: GOKLuLe / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan zuren en basen herkennen, notaties en ionisatievergelijkingen geven en een zuur-basereactie opstellen.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: zoek in de tekst welke deeltjes een H⁺ afstaan of opnemen.
2. Wijs aan: zet bij elk deeltje zuur (donor) of base (acceptor).
3. Schrijf: haal één H⁺ van het zuur af en zet die bij de base, met toestanden.
4. Controleer: kloppen de elementen en de lading links en rechts?
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Vraagtype 1: zuur of base herkennen
Een zuur staat een H⁺ af, een base neemt een H⁺ op.
Zuren: HCl, H₂SO₄, HNO₃, H₃PO₄, CH₃COOH en H₂O + CO₂.
Basen: NH₃, OH⁻, CO₃²⁻, O²⁻ en HCO₃⁻.
Bij een context: zoek eerst welk deeltje de H⁺ opneemt.
Deze slide heeft geen instructies
Kalk bevat CO₃²⁻. Wat gebeurt er als zoutzuur kalk aantast?
CO₃²⁻ staat H⁺ af en is dus een zuur
CO₃²⁻ neemt elektronen op van HCl
CO₃²⁻ neemt OH⁻ op van het water
CO₃²⁻ neemt H⁺ op en is dus een base
Kalk lost op in zoutzuur doordat CO₃²⁻ H⁺ opneemt (eerst HCO₃⁻, daarna CO₂ en H₂O). Verwachte fout: denken dat het carbonaat-ion elektronen opneemt (redox) of dat een base OH⁻ opneemt. Syllabus R1.6 en R1.7.
Welke twee deeltjes zijn allebei zuren?
H₃PO₄ en NH₃
HCl en OH⁻
CO₃²⁻ en HNO₃
H₃PO₄ en CH₃COOH
Fosforzuur en azijnzuur staan H⁺ af. NH₃, OH⁻ en CO₃²⁻ zijn basen. Verwachte fout: een base als zuur kiezen omdat de formule H bevat (NH₃). Syllabus R1.5 en R1.6.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Vraagtype 2: notatie en ioniseren
Zoutzuur HCl(aq), natronloog NaOH(aq), ammonia NH₃(aq).
Een zuur ioniseert in water: er ontstaat H⁺(aq) en een negatief ion.
Het negatieve ion blijft heel, zoals SO₄²⁻ en CH₃COO⁻.
Controleer met de ladingsbalans: totale lading links = rechts.
Deze slide heeft geen instructies
Een schoonmaakmiddel bevat ammonia. Wat is de notatie van ammonia?
NH₄⁺(aq)
NH₃(aq)
N₂H₄(aq)
NaOH(aq)
Ammonia is ammoniak opgelost in water: NH₃(aq). NH₄⁺ is het ion dat ontstaat als NH₃ een H⁺ opneemt. Verwachte fout: NaOH(aq) kiezen omdat ammonia ook basisch is. Syllabus R1.4.
Welk ion ontstaat als CH₃COOH een H⁺ afstaat?
Goed antwoord: CH₃COO⁻. Alleen de H van de COOH-groep komt los; de drie H's van CH₃ blijven zitten. Controle: CH₃COOH heeft 4 H, CH₃COO⁻ 3 H; lading 0 wordt 1− + 1+. Verwachte fouten: de lading vergeten (CH₃COO) of een H van de CH₃-groep weghalen. Syllabus R1.5.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Vraagtype 3: een zuur-basereactie opstellen
Wijs zuur en base aan en geef de overdracht van één H⁺ weer.
Tel elementen en lading links en rechts.
Bij H₂O + CO₂ ontstaat in de reactie CO₂(g) en H₂O(l).
Zet de toestandsaanduidingen erbij.
Deze slide heeft geen instructies
Geef de reactie van HCO₃⁻(aq) met HCl(aq).
Goed antwoord: HCO₃⁻(aq) + HCl(aq) → CO₂(g) + H₂O(l) + Cl⁻(aq). Zo werkt een middel met HCO₃⁻ tegen een teveel aan maagzuur (HCl). Controle: 2 H, 1 C, 3 O, 1 Cl links en rechts; lading 1− = 1−. Verwachte fouten: Cl⁻ vergeten of CO₂ en H₂O weglaten. Syllabus R1.7.
CO₃²⁻ reageert met salpeterzuur. Welke vergelijking klopt?
CO₃²⁻ + 2 HNO₃ → CO₂ + H₂O + 2 NO₃
CO₃²⁻ + HNO₃ → CO₂ + H₂O + NO₃⁻
CO₃²⁻ + 2 HNO₃ → CO₂ + H₂O + 2 NO₃⁻
CO₃²⁻ + 2 HNO₃ → CO₂ + 2 H₂O + 2 NO₃⁻
Controle: 2 H, 2 N, 9 O links; 2 H, 2 N, 2 + 1 + 6 = 9 O rechts; lading 2− = 2 × 1−. Afleiders: lading vergeten, coëfficiënt voor HNO₃ vergeten (H klopt niet), te veel H₂O (O klopt niet). Syllabus R1.1 en R1.7.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Vraagtype 4: donor, acceptor en bindingen
In een gegeven reactie is het zuur het deeltje dat een H⁺ kwijtraakt.
De base krijgt er een H⁺ bij.
Oplossen van een ionverbinding: ionbindingen breken, hydratatie ontstaat.
Ioniseren van een zuur: de atoombinding in het molecuul breekt.
Deze slide heeft geen instructies
NH₄⁺ + OH⁻ → NH₃ + H₂O. Welk deeltje is het zuur?
NH₄⁺
OH⁻
NH₃
H₂O
NH₄⁺ raakt een H⁺ kwijt (NH₃) en is dus de donor; OH⁻ neemt de H⁺ op (H₂O). Controle: 5 H, 1 N, 1 O links en rechts; lading 0 aan beide kanten. Verwachte fout: OH⁻ kiezen. Syllabus R1.7.
Welke binding breekt als NaOH oplost?
Goed antwoord: de ionbinding tussen Na⁺ en OH⁻ (de OH⁻ blijft heel; er ontstaat hydratatie). Verwachte fout: de atoombinding in OH⁻ noemen. Syllabus M3.8.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Zuur of base herkennen
Notatie en ioniseren
Een zuur-basereactie opstellen
Donor, acceptor en bindingen
Kies bij de uitkomst één vraagtype voor extra oefening.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZUREN · BASEN
Tips voor op het examen
Een H⁺ heeft geen elektron: de lading van het zuur daalt met één, die van de base stijgt met één.
Schrijf alle ladingen erbij en controleer links en rechts.
Noteer bij H₂SO₄ twee H⁺, bij CH₃COOH één.
Zoutzuur is HCl(aq), natronloog NaOH(aq) en ammonia NH₃(aq).
Deze slide heeft geen instructies