S en B les 5

Welke tip voor het geven van feedback is onjuist?
A
Spreken in de wij-vorm
B
Kies het juiste moment
C
Geef aan welk effect het gedrag op jou heeft
D
Ga na of de ander je begrijpt
1 / 20
volgende
Slide 1: Quizvraag
VerzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Welke tip voor het geven van feedback is onjuist?
A
Spreken in de wij-vorm
B
Kies het juiste moment
C
Geef aan welk effect het gedrag op jou heeft
D
Ga na of de ander je begrijpt

Slide 1 - Quizvraag

Bij ......... geef je de cliënt de juiste prikkel om enthousiast te worden.

A
Motiveren
B
Stimuleren
C
Advies geven
D
Instructie geven

Slide 2 - Quizvraag

Welke tip voor het ontvangen van feedback is onjuist?
A
Sta open voor de ander, neem de tijd
B
Zie het als iets om van te leren Vertel eerlijk hoe je de feedback ervaart
C
Vat het op als een persoonlijke aanval
D
Luister goed en ga niet in de verdediging

Slide 3 - Quizvraag

Wat is belangrijk om te doen na een acute situatie?
Meerdere antwoorden zijn juist.
A
Rapporteren
B
Evalueren
C
Stimuleren
D
Motiveren

Slide 4 - Quizvraag

Waar staat de afkorting LSD voor?
A
Luisteren, stil zijn, doorvragen
B
Luisteren, signaleren, doorvragen
C
Luisteren, stimuleren, doorvragen
D
Luisteren, samenvatten, doorvragen

Slide 5 - Quizvraag

Laat OMA thuis, Neem ANNA mee en smeer NIVEA zijn......
A
Stimulatietechnieken
B
Begeleidingstechnieken
C
Gesprekstechnieken
D
Rapportage technieken

Slide 6 - Quizvraag

Objectief is.......?
A
Jouw mening/gevoel
B
Waarneembaar voor jezelf en de cliënt
C
Niet waarneembaar
D
Interpretatie vanuit eigen waarden en normen

Slide 7 - Quizvraag

Welke signaal zijn verbaal?
A
Met je handen in je zakken staan
B
Gefronste wenkbrauwen
C
Antwoord geven op een vraag
D
Iemand die je niet aankijkt

Slide 8 - Quizvraag

Waarom zou je iets overnemen van een cliënt die het ook zelf kan?
A
Medelijden
B
Als je weinig tijd hebt
C
Energie besparing voor de cliënt
D
Als de cliënt er om vraagt

Slide 9 - Quizvraag

Wat hoort NIET in een rapportage te staan?
Er zijn meerdere antwoorden juist.
A
Feiten
B
Afkortingen
C
Je eigen emoties
D
Tips en weetjes

Slide 10 - Quizvraag

Welke vraag is een open vraag?
A
Gaat u vanmiddag zwemmen?
B
Gaat u met de fiets naar de tandarts?
C
Is de koffie lekker?
D
Hoe is het gegaan bij de huisarts?

Slide 11 - Quizvraag

Je leest in een rapportage dat dhr. erg vervelend gedrag liet zien bij je collega. Is dit een juiste rapportage?
A
Ja
B
Nee

Slide 12 - Quizvraag

Waar of niet waar:
De cliënten mogen altijd toegang tot hun eigen dossier krijgen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Een betrokken buurvrouw vraagt of ze het dossier mag inlezen, wat doe je?
A
Ik laat het lezen, ze is heel erg betrokken
B
Ik vraag aan mijn cliënt om toestemming

Slide 14 - Quizvraag

Je hebt het idee dat je cliënt bang is om naar buiten te gaan, wat doe je?
A
Je rapporteert dat dhr. bang is om naar buiten te gaan.
B
Je check bij je cliënt of je gevoel klopt.
C
Je vraagt aan de cliënt zijn kinderen of zij ook dit gevoel hebben.
D
Je vraagt aan de buren of hij je cliënt nog wel eens buiten ziet

Slide 15 - Quizvraag

Je cliënt (93) weet niet meer of hij vandaag al gedoucht heeft. Verder merk je geen bijzonderheden op. Dit is een;
A
Acute situatie, je gaat direct actie ondernemen en belt de huisarts.
B
Afwacht situatie, je rapporteert je bevinding en kijkt of het volgende week weer opvalt.

Slide 16 - Quizvraag

Je cliënt is gevallen en heeft een hangende mondhoek. Dit is een;
A
Acute situatie, je helpt je cliënt direct omhoog.
B
Afwacht situatie, je kijkt of hij zich na een uurtje wat beter voelt.
C
Acute situatie; je belt 112

Slide 17 - Quizvraag

Het valt je op dat je cliënt niet wil helpen met de afwas. Wat doe je?
A
Je rapporteert je bevindingen.
B
Je doet de afwas alleen, hij heeft gisteren een verjaardag gehad en zal wel moe zijn.
C
Je vraagt aan je cliënt waarom hij vandaag niet meehelpt.
D
Je geeft aan dat je cliënt je moet helpen zoals afgesproken is.

Slide 18 - Quizvraag

Je cliënt vraagt jou om hulp maar dit hoort niet bij jouw werk. Wat doe je?
A
Je helpt je cliënt toch, ze heeft een zoon maar die woont ver weg.
B
Je geeft aan dat je deze taak niet kan uitvoeren (grens aangeven).
C
Je geeft aan dat je deze taak niet kan uitvoeren maar kijkt samen met je cliënt wie dit wel zou kunnen doen.

Slide 19 - Quizvraag

Je cliënt heeft je uitgescholden omdat je het verkeerde schoonmaakmiddel hebt gebruikt. Wat doe je?
A
Je bied je excuses aan maar zegt ook dat je niet wil dat er gescholden wordt.
B
Je biedt je excuses aan, de cliënt heeft een reden om boos te zijn.
C
Je gaat direct naar huis.
D
Je doet alsof je het niet gehoord hebt.

Slide 20 - Quizvraag