§9 Meewerkend voorwerp

Welkom

Zinsontleding
Meewerkend voorwerp
Nederlands
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Welkom

Zinsontleding
Meewerkend voorwerp
Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Lesprogramma
  • Herhaling ontleden
  • Uitleg meewerkend voorwerp.

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...


  • weet je wat het meewerkend voorwerp is.
     
  • kun je het meewerkend voorwerp in een gegeven zin vinden.

  • kun je een zin ontleden volgens een stappenplan.

  • kun je een zin in zinsdelen verdelen en de zinsdelen onderwerp + persoonsvorm + werkwoordelijk gezegde + lijdend voorwerp + meewerkend voorwerp benoemen.

Slide 3 - Tekstslide

Jan gaf de toets aan de leraar.

Welk zinsdeel is 'Jan'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 4 - Quizvraag

Jan gaf de toets aan de leraar.

Welk zinsdeel is 'de toets'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 5 - Quizvraag

Ontleed de volgende zin (PV, OW, WWG, LV, zinsdeelstrepen).

David heeft de regenjas aan de kapstok gehangen.

Slide 6 - Open vraag

Herhaling

  • Persoonsvorm = belangrijkste werkwoord (vraagproef, getalsproef, tijdsproef)
  • Zinsdelen: verplaatsingsproef (welk woord of welke woordgroep kan voor de pv.
  • Werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden uit de zin.
  • Onderwerp = wie/wat + gezegde?
  • Lijdend voorwerp = wat/wie + pv + ow + gezegde?

Slide 7 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp
  • In zinnen met een lijdend voorwerp kan ook een meewerkend voorwerp staan. Zinnen zonder een lv hebben nooit een mv.

  • Het meewerkend voorwerp geeft aan voor / aan wie iets bestemd is. 
    Aan (voor) wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

  • Check daarna of je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen (soms moet je hiervoor de woordvolgorde aanpassen).




Slide 8 - Tekstslide

Zo vind je het meewerkend voorwerp

1. Zoek eerst de persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp.

2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Is het zinsdeel tussen haken een meewerkend voorwerp?

Hij laat al zijn geld na [aan goede doelen].
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp?

Sophie doet jou de groeten
A
Er is geen meewerkend voorwerp
B
jou
C
Sophie
D
de groeten

Slide 12 - Quizvraag

Wie heeft mijn scooter gerepareerd?

mijn scooter =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Mag ik u een kopje koffie aanbieden?

Slide 14 - Open vraag

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Het verlegen jongetje gaf ik een schouderklopje.

Slide 15 - Open vraag

Het meewerkend voorwerp is:
De ober heeft eindelijk een glas cola voor Charlotte ingeschonken.

Slide 16 - Open vraag

Wat is het meewerkend voorwerp?

Hij geeft zijn zus een knuffel.

Slide 17 - Open vraag

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin:
De politieagent gaf de foutparkeerder een flinke boete.

Slide 18 - Open vraag

Stappenplan

  1. Zoek de persoonsvorm = belangrijkste werkwoord (vraagproef, getalsproef, tijdsproef)
  2. Verdeel de zin in zinsdelen: verplaatsingsproef (welk woord of welke woordgroep kan voor de pv.
  3. Benoem het werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden uit de zin.
  4. Benoem het onderwerp = wie/wat + gezegde?
  5. Onderzoek of er een lijdend voorwerp is = wat/wie + pv + ow + gezegde?
  6. Onderzoek of er een meewerkend voorwerp is = aan/voor wie/wat + pv + ow + lv + gezegde =

Slide 19 - Tekstslide

Welk woord in de zin is de persoonsvorm?
Ik fiets op mijn fiets naar school
A
fiets(1e woordje)
B
fiets (2e woordje)
C
Ik
D
school

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een persoonsvorm altijd?
A
Lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 21 - Quizvraag

Mijn moeder heeft mijn oma een nieuwe jas gegeven.
mijn oma =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 22 - Quizvraag

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wie =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 23 - Quizvraag

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Mijn konijn =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 24 - Quizvraag

Ontleed de volgende zin volgens het stappenplan:
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.

Slide 25 - Open vraag