4.1 De stroomkring basis

Leerdoelen 4.1 deel 1
  • Ik kan uitleggen wat elektriciteit is.
  • Ik kan uitleggen wat een stroomkring is.
  • Ik ken een aantal geleidende en isolerende materialen.
  • Ik kan uitleggen dat de stroomsterkte voor & na een lampje gelijk is

1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScienceMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

Leerdoelen 4.1 deel 1
  • Ik kan uitleggen wat elektriciteit is.
  • Ik kan uitleggen wat een stroomkring is.
  • Ik ken een aantal geleidende en isolerende materialen.
  • Ik kan uitleggen dat de stroomsterkte voor & na een lampje gelijk is

Slide 1 - Tekstslide

4.1 de stroomkring

Slide 2 - Tekstslide

Welkom
  • Neem plaats
Telefoon in je tas, tas op de grond

Pak je boeken en begin te lezen met hoofdstuk 4

Slide 3 - Tekstslide

Waaruit komt elektriciteit
Spanningsbronnen
  • stopcontact
  • batterij
  • accu 
  • zonnecel

Slide 4 - Tekstslide

Stroomkring
Spanningsbron levert stroom, dit
gaat via het snoer naar het apparaat
Samen vormen ze een stroomkring
Door het snoer loopt een stroom van
elektronen, dit zijn hele kleine deeltjes
die door een metalen draad kunnen
bewegen. 

Slide 5 - Tekstslide

Wanneer loopt er stroom?
3 voorwaarden
  1.  Spanningsbron aanwezig 
  2. Een gesloten stroomkring
  3. Geleiders (materiaal wat stroom
    doorlaat, geleid, zoals koper)

Slide 6 - Tekstslide

Lamp gaat branden
Wanneer de stroom loopt
Stroom loopt van plus (+) naar min (-)
Lamp is energie verbruiker: zet energie 
van de stroom om in licht en warmte
Snoeren  bevatten koperdraad, transporteren de stroom en zijn
geïsoleerd  en zijn daardoor veilig om vast te pakken.
Isolator: koolstof, kunststof, glas, hout: wat stroom niet geleid

Slide 7 - Tekstslide

Practicum
Isolatoren

Tijdens dit practicum gaan we onderzoeken welke stoffen de stroom wel geleid (=doorgeven) en welke stoffen niet.

In ItsLearning staat bij week 9 een link naar een website om zelf schakelingen te maken 
Dit in ItsLearning  laten zien

Slide 8 - Tekstslide

Leerdoelen 4.1 deel 1
  • Ik kan uitleggen wat elektriciteit is.
  • Ik kan uitleggen wat een stroomkring is.
  • Ik ken een aantal geleidende en isolerende materialen.
  • Ik kan uitleggen dat de stroomsterkte voor & na een lampje gelijk is.

Slide 9 - Tekstslide

Opdrachten Havo/VWO

Lezen/leren boek 
blz 95 en 96

Maken opdrachten
4.1 opdracht 1 t/m 8
Opdrachten TL

Lezen/leren boek
blz 85

Maken opdrachten
4.1 opdracht 1 t/m 2

Slide 10 - Tekstslide

Juiste spanning
Nederland 230 V
Amerika 120 V of 240 V

Apparaten MOETEN op de juiste spanning worden aangesloten.

Te lage spanning: apparaat werkt niet of niet goed
Te hoge spanning: apparaat gaat kapot

Slide 11 - Tekstslide

Elektrische stroom
  • Spanning (U) loopt alleen over gesloten stroomkring
  • Spanning (U) meet je in Volt (V)
  • Spanning duwt Elektronen door stroomkring 
  • Elektronen transporteren energie van batterij naar lampje 
  • Elektronen bewegen van min naar plus
  • Elektrische stroom gaat van plus naar min
  • Hoe sterker de stroom hoe meer elektronen
     per seconde door de stroomkring
  • Stroomsterkte (I) meet je in Ampère  (A)
Volgende dia is film over stroom
let op
andersom!

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Is het gevaarlijk om een stroomdraad aan te raken?
Stroomsterkte (I) meet je in Ampère (A); Spanning (U) in volt (V)
Bij een hoge stroomsterkte heel veel elektronen bewegen door de draden.
Bij een hoge spanning (U) hebben de elektronen veel energie.

Gevaarlijk? Dit hangt af hoe groot de stroomsterkte is

Slide 14 - Tekstslide

Is het gevaarlijk om een stroomdraad aan te raken?
spanning
(U)
stroom
(I)
Effect
Schrikdraad
heel hoog
heel klein
klein korte schok
Stopcontact
lager
heel groot
Levensgevraarlijk
Hoogspannings- kabel
heel hoog
heel groot
levensgevaarlijk
Batterij
laag
klein
je voelt niets

Slide 15 - Tekstslide

Leerdoelen 4.1 deel 2
  • Ik kan een stroomschema met 1 lampje tekenen.
  • Ik ken het verschil tussen een serie- en parallelschakeling.
  • Ik kan uitleggen dat lampjes in een schakeling feller of minder fel branden.
  • Ik ken de grootheden I en U en de bijbehorende eenheden.
  • Ik weet hoe elektrische energie ontstaat.

Slide 16 - Tekstslide

Elektrische componenten en symbolen
Alle elektrische apparaten hebben een bepaald 'logo' (symbool).

Deze zijn belangrijk voor het tekenen van een schakelschema.

Bij het bouwen begin je bij de + van de spanningsbron.

Leer deze symbolen

Slide 17 - Tekstslide

Vier regels bij het tekenen
1. Draden tekenen we alleen horizontaal of verticaal.

2. Afstanden in het schakelschema zeggen niets over de werkelijke afstanden.

3. Posities in het schakelschema zeggen niets over de werkelijke posities.

4. Het schakelschema moet zo overzichtelijk mogelijk zijn. 

Slide 18 - Tekstslide

Serieschakeling
In een serieschakeling zien we alle lampjes op een rij staan. 

Een voordeel is dan dat het weinig stroomdraad kost.

Een nadeel is dat wanneer 1 lampje stuk gaat, alle lampjes stuk gaan.
Spanning wordt over de lampen verdeeld
De stroom is overal in de stroomkring gelijk

Slide 19 - Tekstslide

Parallelschakeling
Alle lampjes staan apart aangesloten Elk lampje heeft eigen stroomkring

Een voordeel: er 1 lampje stuk,
 de rest doet het nog.

Nadeel kost veel extra stroomdraad 
De stroom is overal in de stroomkring gelijk
Spanning wordt over de lampen verdeeld

Slide 20 - Tekstslide

Ontstaan elektrische energie
Batterij: door chemische reactie; zijn de reagerende stoffen op, dan is de batterij leeg.
Penlite of dikke batterij geven beide 1.5 V. In de dikke meer stoffen, gaat daarom langer mee.

Zonne-energie, windenergie, elektriciteitscentrales
Bewegings- of warmte- energie wordt omgezet in elektrische energie

2 filmpjes

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Serie schakeling: 

  • spanning verdeeld over onderdelen. 

  • Stroomsterkte overal gelijk.
Havo

Slide 24 - Tekstslide

Parallel schakeling:

  • spanning overal gelijk. 

  • stroomsterkte verschilt per onderdeel. 

Havo

Slide 25 - Tekstslide

Grootheid
Symbool
Eenheid
afkorting
Spanning
U
Volt
V
Stroomsterkte
I
Ampere
A
Neem tabel over in schrift 

Slide 26 - Tekstslide

Leerdoelen 4.1 deel 2
  • Ik kan een stroomschema met 1 lampje tekenen.
  • Ik ken het verschil tussen een serie- en parallelschakeling.
  • Ik kan uitleggen dat lampjes in een schakeling feller of minder fel branden.
  • Ik ken de grootheden I en U en de bijbehorende eenheden.
  • Ik weet hoe elektrische energie ontstaat.

Slide 27 - Tekstslide

Opdrachten Havo/VWO

Lezen/leren boek 
blz 95 en 96

Maken opdrachten
4.1 opdracht 1 t/m 13
Opdrachten TL

Lezen/leren boek
blz 85

Maken opdrachten
4.1 opdracht 1 t/m 14

Slide 28 - Tekstslide

Let op verschillen tussen T en Havo
Idee tl huiswerk laten maken want 4.2 is schakelingen, dus dit herhalen dan kunnen ze aan de slag en dan voor Havo rest uitleggen, of beide en dan ook praktijk doen

Slide 29 - Tekstslide

Wat weet je al van Elektriciteit:

Slide 30 - Woordweb

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Serie-schakeling          Parallel-schakeling

Slide 33 - Tekstslide

Serieschakeling
  • alle onderdelen zitten in 1 stroomkring

  •  Spanning (U) wordt verdeeld over alle onderdelen

  •  Utotaal = U1 + U2 +U3 + enz. 

  • de stroomsterkte (I) is overal gelijk 

  • Schakelaar staat altijd in serie met een onderdeel.

  • Werkt 1 onderdeel niet dan werkt de rest ook niet meer

Slide 34 - Tekstslide

  • Elk onderdeel heeft zijn eigen stroomkring

  •  Spanning(U) is in elk onderdeel hetzelfde. 

  • de stroomsterkte verschilt per onderdeel 

  • Itotaal = I1 + I2+ I3 

  • Werkt 1 onderdeel niet dan werken de andere onderdelen nog wel. 

Slide 35 - Tekstslide

Schakelschema's tekenen.
  •  schakelschema's zijn overzichtelijk 
  • elk onderdeel heeft een eigen symbool (binas tabel 14)
  • Begin altijd van uit spanningsbron en eindig daar ook weer. 

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide