cross

2.4 - Dichtheid / Niet-metalen (les 2)

Kader - Natuur- Scheikunde

  • §2.4 - Dichtheid (les 2/3)
  • Aan de slag
Naar LessonUp.app!
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuur- ScheikundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Kader - Natuur- Scheikunde

  • §2.4 - Dichtheid (les 2/3)
  • Aan de slag
Naar LessonUp.app!

Slide 1 - Tekstslide

De dichtheid van een stof
De dichtheid van een stof wordt gemeten in g/cm³.
Formule van dichtheid is:
Dichtheid = massa (m) ÷ volume (v)

p=vm
Dichtheid
g/cm³
Massa
gram
Volume
cm³

Slide 2 - Tekstslide

De dichtheid van een stof
Voorbeeld:
Een blokje goud met de volume van 1 cm³ is altijd 19,3 gram.

m=
v=
p=vm
Dichtheid
g/cm³
Massa
gram
Volume
cm³

Slide 3 - Tekstslide

Een blokje goud met de volume van 1 cm³ is altijd 19,3 gram.

Wat is dan de massa (m)?
p=vm
p=vm
Dichtheid
g/cm³
Massa
gram
Volume
cm³

Slide 4 - Open vraag

Een blokje goud met de volume van 1 cm³ is altijd 19,3 gram.

Wat is dan volume (v)?
p=vm
p=vm
Dichtheid
g/cm³
Massa
gram
Volume
cm³

Slide 5 - Open vraag

De dichtheid van een stof
Voorbeeld:
Een blokje goud met de volume van 1 cm³ is altijd 19,3 gram.

p=vm
m=
19,3 g
v=
1 cm³

Slide 6 - Tekstslide

Een blokje goud met de volume van 1 cm³ is altijd 19,3 gram.

Wat is de dichtheid (p) van goud?
p=vm
p=vm
p=vm
Dichtheid
g/cm³
Massa (m)
gram
Volume (v)
cm³

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Video

Welke eenheid hoort bij de dichtheid?
A
g/cm3
B
cm3/g

Slide 9 - Quizvraag

Aan de slag!
Lezen:
De dichtheid van een stof 
(TB: blz. 25 & 26)

Maken:
opdr. 53 t/m 55 (WB: blz. 24)
rood = Iedereen is stil
  

oranje = Je mag de docent een vraag stellen 


groen = Je mag met elkaar fluisterend 
overleggen

Slide 10 - Tekstslide

Basis - Natuur- Scheikunde

  • §2.4 - Niet-Metalen (les 2)
  • Aan de slag
Naar LessonUp.app!

Slide 11 - Tekstslide

Glaswol
Glaswol is een hele dikke deken van glasscherven, zand, soda en kalksteen. Belangrijke eigenschappen zijn:
  • Niet brandbaar
  • Kan goed tegen water
  • Houdt geluid en warmte tegen
Glaswol wordt veel gebruikt bij het isoleren van gebouwen

Slide 12 - Tekstslide

Hout
Hout is een natuurlijk materiaal en wordt veel gebruikt om mee te bouwen.
Belangrijke eigenschappen van hout:
  • Het is stevig
  • Het is licht
  • Het is goed te bewerken
  • Het is brandbaar
Hout is goed te gebruiken om vuur te maken

Slide 13 - Tekstslide

Keramiek
Keramiek is gebakken klei.
Bijvoorbeeld: Baksteen, plantenpotten, etc.
Belangrijke eigenschappen van keramiek:
  • Het is erg hard
  • Het is toch wel breekbaar
  • Het kan erg goed tegen hoge temperaturen
Keramiek is poreus. Dat betekent dat er hele kleine gatjes in het materiaal zitten
(Boven) Voorbeelden van werken met keramiek
Poreuze baksteen

Slide 14 - Tekstslide

Glazuur
Voorwerpen van keramiek hebben soms een dunne laag glazuur. Glazuur is een hele dunne laag glas. Het wordt erop gedaan na de eerste keer bakken, om het daarna nog een keer te bakken: Voordelen van glazuur:
  • Het blijf langer mooi
  • Het is beter schoon te maken.
  • Het is lucht- en waterdicht

Keramiek met een glazuurlaag er overheen noem je dichte keramiek
Voorbeelden van dichte keramiek

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Wat gebeurd er als je je huis isoleert met glaswol?
A
wordt je huis in de winter warm en in de zomer koel
B
je huis gaat schimmelen
C
je huis wordt geïnfecteerd met schimmelactiedantie
D
er komt snel ongedierte op af

Slide 17 - Quizvraag

Keramiek kan goed tegen hoge temperaturen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quizvraag

Waar wordt keramiek van gemaakt?
A
klei
B
piepschuim
C
polyester
D
katoen

Slide 19 - Quizvraag

Keramiek is vaak met glazuur bedekt. Wat is glazuur?
A
Een beschildering om keramiek mooier te maken
B
Een glaslaag die keramiek beschermt en waterdicht maakt
C
Een soort zuur dat keramiek beschermt en sterk maakt

Slide 20 - Quizvraag

Aan de slag!
Lezen:
Glaswol (blz. 97)
Hout (blz. 98)
Keramiek (blz. 99 & 100)
Maken:
opdr. 66 t/m 78 (blz. 98 & 102)
rood = Iedereen is stil
  

oranje = Je mag de docent een vraag stellen 


groen = Je mag met elkaar fluisterend 
overleggen

Slide 21 - Tekstslide