CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Examentraining
Elasticiteit en consument: zo pak je examenvragen aan
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Examentraining
Elasticiteit en consument: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jean Housen / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over elasticiteit, substitutie en complementariteit, soorten goederen en het consumentensurplus beantwoorden.
Deze slide heeft geen instructies
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welk product verandert, welke prijs of welk inkomen, en wat is het beginpunt?
2. Bereken: de procentuele verandering: (nieuw min oud) : oud x 100.
3. Deel: Ep = % verandering Qv : % verandering prijs, en let op het teken.
4. Beoordeel: zonder minteken groter dan 1 is elastisch, kleiner dan 1 inelastisch, en noem het gevolg.
Deze slide heeft geen instructies
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Vraaglijn met de punten A, B, C en D
Vraagtype 1: elasticiteit berekenen en gebruiken
Bereken eerst de procentuele verandering van prijs en van Qv.
Deel de verandering van Qv door die van de prijs en let op het teken.
Vergelijk de uitkomst zonder minteken met 1: elastisch of inelastisch.
Omzet = P x afzet: reken na of die stijgt of daalt.
Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
Kaartje 20 naar 15 euro, afzet 400 naar 600. Wat is Ep?
-0,5
+2
+0,5
-2
Prijs: -5 : 20 = -25%. Afzet: +200 : 400 = +50%. Ep = +50 : -25 = -2. Verwachte fouten: -0,5 (deling omgedraaid) en +2 (teken vergeten).
Ticket 10 naar 8 euro, bezoekers 100 naar 140. Wat gebeurt er met de omzet?
Daalt, want de vraag is elastisch
Stijgt, want de vraag is inelastisch
Daalt, want de vraag is inelastisch
Stijgt, want de vraag is elastisch
Prijs -20%, bezoekers +40%, Ep = -2: elastisch. Omzet van 10 x 100 = 1000 naar 8 x 140 = 1120: stijgt. Verwachte fout: denken dat een lagere prijs altijd minder omzet geeft.
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Substituut: vraag naar rechts. Complement: vraag naar links
Vraagtype 2: substituten en complementen
Substituut duurder: de vraaglijn van het andere product naar rechts.
Complement duurder: de vraaglijn van het andere product naar links.
De prijs van het product zelf geeft een beweging langs de eigen vraaglijn.
Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
Biefstuk wordt duurder. Hoe verschuift de vraaglijn naar kipfilet?
Naar links: kipfilet is een substitutiegoed
Naar rechts: kipfilet is een substitutiegoed
Naar rechts: kipfilet is een complementair goed
Naar links: kipfilet is een complementair goed
Biefstuk en kipfilet vervangen elkaar: kopers wijken uit, de vraaglijn naar kipfilet verschuift naar rechts. Verwachte fout: de richting omdraaien.
De vraaglijn naar e-bikes verschuift naar rechts. Welke gebeurtenis past?
Accu's voor e-bikes worden duurder
Gewone fietsen worden goedkoper
Gewone fietsen worden duurder
E-bikes worden zelf duurder
Duurdere gewone fietsen (substituut) geven meer vraag naar e-bikes. Duurdere accu's (complement) of goedkopere gewone fietsen geven een verschuiving naar links. Een prijs van de e-bike zelf geeft een beweging langs de lijn.
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Vraagtype 3: inkomen en soorten goederen
Positieve inkomenselasticiteit: normaal goed. Negatieve: inferieur goed.
Tussen 0 en 1: primair goed. Groter dan 1: luxegoed.
Alleen verbaal: redeneer met meer of minder vraag bij een hoger inkomen.
Deze slide heeft geen instructies
Bij een hoger inkomen koopt Mo minder instantnoedels. Wat zijn die voor Mo?
Een inferieur goed
Een luxegoed
Een primair goed
Een complementair goed
Hoger inkomen en minder vraag: negatieve inkomenselasticiteit, dus inferieur. Verwachte fout: primair kiezen omdat het eten is.
Brood: hoger inkomen, vraag stijgt licht. Welke inkomenselasticiteit?
Groter dan 1
Tussen 0 en 1
Kleiner dan 0
Gelijk aan 0
Vraag stijgt maar procentueel minder dan het inkomen: tussen 0 en 1, een primair goed. Verwachte fout: groter dan 1 kiezen omdat de vraag stijgt.
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Vlakken I, II en III bij marktprijs 5
Vraagtype 4: consumentensurplus
Het consumentensurplus ligt onder de vraaglijn en boven de marktprijs.
Arceer dus de driehoek tussen de vraaglijn, de prijslijn en de prijsas.
Lagere prijs of hogere betalingsbereidheid: het vlak wordt groter.
Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
Welk vlak is in de grafiek het consumentensurplus bij marktprijs 5?
Vlak II
Vlak III
Vlak I en II samen
Vlak I
Vlak I ligt boven de prijslijn en onder de vraaglijn. Vlak II is de rechthoek onder de prijslijn (wat consumenten samen betalen). Verwachte fout: vlak II kiezen.
Betalingsbereidheid daalt, prijs gelijk. Gevolg voor consumentensurplus?
Het consumentensurplus wordt kleiner
Het consumentensurplus wordt groter
Het consumentensurplus blijft gelijk
Het consumentensurplus wordt eerst groter
Consumenten willen minder betalen bij dezelfde prijs: het verschil met de prijs wordt kleiner. Verwachte fout: gelijk kiezen omdat de prijs gelijk blijft.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Elasticiteit berekenen
Substituten en complementen
Inkomen en soorten goederen
Consumentensurplus
Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen.
CONCEPT MARKT · ELASTICITEIT
Tips voor op het examen
Bereken procentuele veranderingen altijd met het beginpunt als basis.
Deel de verandering van Qv door die van de prijs, nooit andersom.
Bij elastisch of inelastisch kijk je naar de uitkomst zonder minteken.
Het consumentensurplus ligt onder de vraaglijn en boven de marktprijs.
Deze slide heeft geen instructies