Vertering en opname (Biologie havo), les 2: Examentraining

ORGANISME · VERTERING

Examentraining

Vertering en opname: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: bouw en functie, gegevens uit een tabel of schema, factoren die vertering of opname beïnvloeden en een voedingsstof volgen. Acht vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

ORGANISME · VERTERING

Examentraining

Vertering en opname: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Mikael Häggström / Wikimedia Commons, CC0

ORGANISME · VERTERING

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een situatie uitleggen waar en hoe voedingsstoffen worden verteerd en opgenomen en wat dat beïnvloedt.

Deze slide heeft geen instructies

ORGANISME · VERTERING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welk orgaan, sap, voedingsstof of verstoring staat in de vraag?

  • 2. Zoek: welk begrip hoort erbij (enzym, gal, resorptie, darmvlok, darmbacterie)?

  • 3. Volg: waar wordt de stof verteerd en waar wordt het product opgenomen?

  • 4. Schrijf: noem het begrip en leg het verband met de situatie uit.

Deze slide heeft geen instructies

ORGANISME · VERTERING

Vraagtype 1: bouw en functie

  • Noem het orgaan en de functie, en leg uit welk bouwkenmerk daarbij past.

  • Voorbeeld: veel oppervlak betekent veel resorptie.

  • Gebruik de begrippen: darmvlok, kringspier, lengtespier, dunne darm.

Deze slide heeft geen instructies

Door een operatie heeft iemand een veel kortere dunne darm. Wat is het gevolg?

A

Er komt meer gal, dus meer vetvertering

B

Minder oppervlak, dus minder resorptie

C

De dikke darm gaat de enzymen maken

D

De maag neemt de resorptie over

Een kortere dunne darm heeft minder darmvlokken en dus minder oppervlak voor resorptie. Verwachte fout: denken dat de maag de resorptie overneemt.

Waarom is de wand van een darmvlok zo dun?

De afstand is kort, dus de verteringsproducten komen snel in het bloed of de lymfe. Verwachte fout: antwoorden dat het oppervlak groter wordt.

Verteringssappen: waar ze vandaan komen en wat ze doen

ORGANISME · VERTERING

Vraagtype 2: gegevens uit een tabel of schema

  • Lees eerst wat er in de tabel of grafiek staat.

  • Koppel getallen of namen aan een orgaan of sap.

  • Voorbeeld: pH 2 is zuur en past bij de maag; pH 8 is licht basisch.

Image credit: LessonUp Studio, eigen illustratie

Enzym X breekt eiwit af: 100% bij pH 2, 10% bij pH 7, 0% bij pH 9. Waar werkt X?

A

In de maag, want daar is het zuur

B

In de mond, want daar is het zuur

C

In de dunne darm, want daar is het zuur

D

Overal, want enzymen werken bij elke pH

Enzym X heeft zijn optimum bij pH 2: dat past bij de maag. Verwachte fout: de pH-waarde niet aan een orgaan koppelen.

Speeksel, maagsap, gal en alvleessap: welk sap bevat lipase?

A

Speeksel

B

Maagsap

C

Alvleessap

D

Gal

Lipase komt uit de alvleesklier. Gal helpt alleen door te emulgeren. Verwachte fout: gal kiezen omdat het bij vet hoort.

ORGANISME · VERTERING

Vraagtype 3: wat beïnvloedt vertering of opname?

  • Zoek wat er in de situatie ontbreekt of gestoord is.

  • Redeneer: welke stof wordt dan slechter verteerd of opgenomen?

  • Voorbeeld: geen gal in de darm betekent slechte vetvertering.

Deze slide heeft geen instructies

Een galsteen laat geen gal meer door de galgang. Wat is het gevolg?

A

Eiwitten worden niet meer afgebroken

B

Vetten worden slecht verteerd

C

Het speeksel maakt geen amylase meer

D

Glucose kan niet meer worden opgenomen

Zonder gal wordt vet niet geëmulgeerd, dus lipase heeft weinig oppervlak. Verwachte fout: denken dat alle vertering stopt.

Waarom krijg je diarree na antibiotica?

Antibiotica doden darmbacteriën, waardoor vertering en opname verstoord raken. Verwachte fout: antibiotica als enzym zien.

ORGANISME · VERTERING

Vraagtype 4: een voedingsstof volgen

  • Begin bij de voedingsstof en volg haar stap voor stap.

  • Vraag bij elke stap: waar, welk sap, welk enzym, welk product?

  • Eindig bij resorptie: welk vat neemt het product op?

Deze slide heeft geen instructies

Zet op volgorde: de vertering van eiwit

1

Pepsine breekt eiwit af in de maag

2

Eiwitstukken gaan naar de dunne darm

3

Aminozuren gaan via een darmvlok het bloed in

4

Darmenzymen maken aminozuren

Eerst pepsine in de maag, dan de dunne darm met enzymen tot aminozuren, dan resorptie. Verwachte fout: resorptie in de maag plaatsen.

Welk vat neemt glucose uit de darmvlok op?

Het haarvat (bloed). Verwachte fout: het lymfevat, dat is voor glycerol en vetzuren.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Bouw en functie

2

Gegevens uit een tabel of schema

3

Wat vertering of opname beïnvloedt

4

Een voedingsstof volgen

Gebruik de uitslag om het lastigste vraagtype nog eens klassikaal te oefenen.

ORGANISME · VERTERING

Tips voor op het examen

  • Noem altijd het begrip uit de les en leg uit hoe het bij de situatie past.

  • Bij een tabel of grafiek: noem een getal of naam uit de bron in je antwoord.

  • Gal, enzym en resorptie zijn drie verschillende stappen: haal ze niet door elkaar.

Deze slide heeft geen instructies