STOFWISSELING · VERTERING
Examentraining
Vertering en resorptie: zo pak je examenvragen aan
STOFWISSELING · VERTERING
Examentraining
Vertering en resorptie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fumikas Sagisavas / Wikimedia Commons, CC0
STOFWISSELING · VERTERING
Wat ga je kunnen?
Ik kan bij een schema, tabel of situatie over vertering en resorptie de juiste stappen volgen en mijn antwoord onderbouwen met een gegeven.
Deze slide heeft geen instructies
STOFWISSELING · VERTERING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een schema met letters, een tabel met proefresultaten of een situatie?
2. Zoek: gaat het om bouw van het kanaal, enzymen en sappen, of om resorptie?
3. Koppel: verbind het gegeven aan een orgaan, een enzym of een transportsoort.
4. Schrijf: kies het antwoord dat past bij het gegeven in de bron, niet bij je eerste idee.
Deze slide heeft geen instructies
STOFWISSELING · VERTERING
Vraagtype 1: schema met letters
Zoek eerst het kanaal: de pijlen lopen van de slokdarm naar de endeldarm.
Klieren hangen met een buis aan het kanaal en zijn zelf geen deel van het kanaal.
Bepaal bij elke letter welk orgaan het is voordat je de vraag beantwoordt.
Deze slide heeft geen instructies
Welke letter geeft de maag aan?
A
C
E
F
A is de slokdarm, C de maag, E de twaalfvingerige darm, F de rest van de dunne darm en H de dikke darm. Verwachte fout: E kiezen, waar de verteringssappen binnenkomen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welke letter geeft de plek waar gal en alvleessap het kanaal binnenkomen?
E
C
F
H
De buizen van de lever en de alvleesklier komen uit op E, de twaalfvingerige darm. Verwachte fout: C kiezen, de maag. Image credit: Eigen schema, LessonUp
STOFWISSELING · VERTERING
Vraagtype 2: proef met pro-enzym
Vergelijk steeds twee buisjes die in één ding verschillen.
Buisje 3 en 4 verschillen alleen in pH; buisje 1 en 2 ook.
Een pro-enzym werkt pas nadat het is geactiveerd.
Koppel de omstandigheden in een buisje aan een orgaan.
Deze slide heeft geen instructies
Wat verklaart het verschil tussen buisje 3 en 4?
Zuur denatureert het pepsinogeen
Zuur is zelf een eiwitverterend enzym
Zuur activeert het pro-enzym tot pepsine
Bij pH 7 is er te weinig eiwit
In buisje 4 maakt het zuur (pH 2) van pepsinogeen werkzaam pepsine, in buisje 3 (pH 7) gebeurt dat niet. Verwachte fout: denken dat het zuur het eiwit zelf afbreekt. Image credit: Eigen schema, LessonUp
In welk orgaan heersen de omstandigheden van buisje 1?
In de mond
In de maag
In de twaalfvingerige darm
In de dikke darm
Pepsine bij pH 2 hoort bij het maagsap. In de twaalfvingerige darm is het milieu basisch. Verwachte fout: de twaalfvingerige darm kiezen omdat daar veel verteerd wordt. Image credit: Eigen schema, LessonUp
STOFWISSELING · VERTERING
Vraagtype 3: gegevens uit een tabel
Lees de eenheid af: hier mmol per liter.
Vergelijk de concentraties aan beide kanten van een membraan.
Stroomt een stof naar een hogere concentratie, dan is actief transport nodig.
Een verhouding bereken je met een deling: groot gedeeld door klein.
Deze slide heeft geen instructies
Hoe komt glucose uit de darminhoud in de darmcel?
Diffusie, want de cel heeft meer glucose
Diffusie, want de darm heeft meer glucose
Osmose, want glucose trekt water aan
Actief transport, tegen de gradiënt in
Darminhoud 2 en darmcel 10 mmol/L: de glucose gaat naar de hoge concentratie, dus actief transport. Verwachte fout: diffusie kiezen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Hoeveel keer zo hoog is glucose in de darmcel als in de darminhoud?
2 keer
8 keer
0,2 keer
5 keer
10 : 2 = 5. Verwachte fout: de getallen verwisselen (0,2 keer) of aftrekken (8). Image credit: Eigen schema, LessonUp
Darmvlokken van de dunne darm onder de microscoop (dwarsdoorsnede)
STOFWISSELING · VERTERING
Vraagtype 4: vorm en functie in een situatie
Vraag bij elke situatie: welke bouw hoort bij welke taak?
Wat verandert er in de bouw, en welke taak lijdt daaronder?
Zoek het enzym of het orgaan dat in de situatie ontbreekt.
Redeneer in stappen: oorzaak, gevolg, verklaring.
Image credit: Mikael Häggström / Wikimedia Commons, CC0
Bij een ziekte zijn de darmvlokken kleiner. Wat is het gevolg?
Eiwit wordt minder snel in de maag verteerd
Minder resorptie van verteringsproducten per minuut
Er wordt minder gal door de lever gemaakt
De peristaltiek in de dikke darm valt weg
Kleinere vlokken geven minder oppervlak, dus minder opname per minuut. Verwachte fout: een gevolg kiezen dat niet bij de bouw van de vlokken past.
Waarom krijgt iemand zonder lactase gas in de darmen na melk?
Het maagzuur breekt lactose af tot gas
Melk bevat te veel eiwit voor pepsine
Darmbacteriën breken de lactose af
De lever maakt te veel gal bij melk
Zonder lactase wordt lactose niet gesplitst en niet opgenomen; in de dikke darm breken darmbacteriën de lactose af en daarbij ontstaat gas. Verwachte fout: denken dat het eiwit of het vet in melk de oorzaak is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Schema met letters
Proef met pro-enzym
Gegevens uit een tabel
Vorm en functie in een situatie
Bespreek het gekozen vraagtype na met een voorbeeld uit de les.
STOFWISSELING · VERTERING
Tips voor op het examen
Bij een schema met letters: bepaal eerst welke letters het kanaal zijn en welke klieren.
Vergelijk bij een proef steeds twee buisjes die in één ding verschillen.
Stroomt een stof naar een hogere concentratie, dan is er actief transport.
Bij vorm en functie: noem eerst de bouw, dan de taak, dan het gevolg.
Deze slide heeft geen instructies