H8 Beleggen

Hoofdstuk 8 Beleggen
8.1 Spaarvormen
8.2 Effectenbeurs
8.3 Aandelen
8.4 Obligaties en beleggingsfondsen
8.5 Opties (vwo)
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 8 Beleggen
8.1 Spaarvormen
8.2 Effectenbeurs
8.3 Aandelen
8.4 Obligaties en beleggingsfondsen
8.5 Opties (vwo)

Slide 1 - Tekstslide

Sparen en beleggen
Twee mogelijkheden

Slide 2 - Tekstslide

Vul hieronder de voor en nadelen van sparen en beleggen in
Sparen
Beleggen
Voordeel:
Nadeel:
Je krijgt Rente
De rente is laag
Je kunt jouw geld verliezen
Je belegging kan meer waard worden

Slide 3 - Sleepvraag

Slide 4 - Video

8 Spaarvormen 
Sparen op een bankrekening: geen risico, wordt vaak niet eens gezien als beleggen.

Sparen voor pensioen:
AOW: sociale verzekering via omslagstelsel
Bedrijfspensioen: verplicht deelnemen aan een regeling via de werkgever (bijv. ABP)

Slide 5 - Tekstslide

Werkgever betaalt vaak mee aan de pensioenpremie
Hier geldt het kapitaaldekkingsstelsel
Lijfrenteverzekering: de premie in 1x of periodiek betalen (aftrekbaar). Vanaf een bepaald moment periodiek uitkeren (belast) bijv. een maandelijks bedrag vanaf 67 jaar.
Banksparen: speciale geblokkeerde spaarrekening. Doel is aanvulling op het pensioen. Storting fiscaal aftrekbaar, tot bepaald maximum. Uitkeringen over minimaal 5 jaar en zijn wél belast.

Slide 6 - Tekstslide

Vrij opneembare spaarvormen: altijd direct beschikking over spaargeld (kan ook je betaalrekening zijn)
Niet-vrij opneembare spaarvormen:
  • Deposito: voor een bepaalde periode, tegen een bepaalde rente zet je je spaargeld vast. Je ontvangt dan meer rente dan op een 'vrije' spaarrekening;
  • Banksparen (zie vorige slide).

Slide 7 - Tekstslide

8.4 Effectenbeurs 
Effecten: waardepapieren die kunnen worden gekocht en verkocht. Bijv.aandelen, obligaties, opties

Bank (vergunninghouders van de AFM) voert de aan- en verkooptransacties uit en de belegger betaalt hiervoor provisie.

Slide 8 - Tekstslide

BELEGGEN OP DE BEURS
Drie bekende voorbeelden

Slide 9 - Tekstslide

Limietorder: opdracht voor verkoop tegen een minimale prijs of opdracht voor aankoop tegen een maximale prijs.

Marketorder (bestensorder): opdracht wordt zeker uitgevoerd maar zonder prijslimiet

AEX-index: graadmeter van de Ned. effectenmarkt. Dit is een gewogen gemiddelde van de 25 meest verhandelde fondsen in NL

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Link

8.1  Aandelen
Een aandeel is een bewijs van deelname in het Eigen Vermogen van een BV of NV.

Nominale waarde is het bedrag dat op het aandeel staat. Dit is meestal niet wat je betaalt.

Slide 12 - Tekstslide

AANDELEN
De voor- en nadelen
Wat is een aandeel?
- Een bewijs van eigendom van een onderneming 
- Ze leveren een deel van het EV van het bedrijf.
- Beurskoers: de marktprijs, komt tot stand door vraag en aanbod

             j  Kans op een hoog rendement (Koerswinst en/of dividend)
                 Zeggenschap: aandeelhouder is mede-eigenaar en mag meebeslissen over het beleid 
                  van de onderneming
                  Hoog risico: bij een faillissement van de onderneming krijgt de aandeelhouder als
                  laatste z’n geld terug (oplossing: investering over langere periode)
                  Hoge transactiekosten (bij aan- en verkoop)









Slide 13 - Tekstslide

Koerswaarde: bij beursgenoteerde NV's komt dit tot stand door vraag en aanbod.
Uitbreiding aandelenkapitaal --> Emissie

De prijs van een aandeel bij een emissie heet de emissiekoers.
Deze zal ongeveer gelijk zijn aan de beurskoers.
Direct na de emissie is er één koers over: de beurskoers.


Slide 14 - Tekstslide

Hoe kan je aan aandelen verdienen?
* Dividend (winstuitkering voor aandeelhouders)
* Koerswinst (kan ook verlies zijn!)

Dividendrendement:   Dividend      x 100%
                                     Beurskoers(of inkoopprijs)
Koersrendement:       Verkoopprijs - inkoopprijs    x 100%
                                            inkoopprijs
Aandelenrendement: beide optellen

Slide 15 - Tekstslide

Sparen voor je pensioen kan je doen via:
A
Banksparen
B
Lijfrente
C
Je werkgever
D
Zowel A, B en C zijn goed.

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een spaarrekening en een deposito?
A
Weinig rente op een deposito en veel op spaarrekening
B
Geld staat vast bij deposito en niet op een spaarrekening
C
Een vaste looptijd op een spaarrekening
D
Variabele rente op het saldo van een deposito

Slide 17 - Quizvraag

Een marketorder is:
A
Order om aandelen aan te kopen
B
Aankoop van effecten tegen maximale prijs
C
Verkoop van obligaties
D
Order om effecten te (ver)kopen zonder limiet

Slide 18 - Quizvraag

De dividenduitkering door Groko is €2,80 per aandeel. De beurskoers is €37, de nominale waarde is €20,- Bereken het dividend-rendement.
A
7,6%
B
85%
C
45,9%
D
14%

Slide 19 - Quizvraag

Het aandelen rendement is:

A
De koerswinst die je maakt bij verkoop
B
Het koersrendement en dividendrendement
C
Het dividend dat wordt uitgekeerd
D
(Dividend/koers) x 100%

Slide 20 - Quizvraag

Obligatie (8.2)
Dit is een stukje van een 'grote' lening: de obligatielening 

Couponrente = vast rentepercentage over de nominale waarde van de obligatie

Slide 21 - Tekstslide

Obligaties
Hoe verdien je geld met obligaties?
Wat is een obligatie?
- Een bewijs van deelname aan een langlopende lening, uitgegeven door een onderneming
- De belegger wordt schuldeiser
- Nominale waarde:   de oorspronkelijk afgesproken waarde -> de waarde zoals die in de statuten staat vermeld
 - Beurskoers: de marktprijs, vooral bepaald door de marktrente (maar ook kredietwaardigheid van de onderneming)

Hoe verdien je aan obligaties:
- Rente (van te voren afgesproken)









Slide 22 - Tekstslide

Obligaties
De voor- en nadelen
Wat is een obligatie?
- Een bewijs van deelname aan een langlopende lening, uitgegeven door een onderneming
- De belegger wordt schuldeiser -> Ze leveren een deel van het VV (Vreemd vermogen)

                Een lager risico dan bijvoorbeeld aandelen. +  Je krijgt een vaste rente
               Bij een faillissement van de onderneming heb je voorrang op de aandeelhouders om je 
               geld terug te krijgen

                 Mogelijk een lager rendement dan aandelen (rente is vast en onafhankelijk van        
                  bedrijfsresultaat)
                  Meer risico dan een spaarrekening (kans bestaat dat je je geld niet terugkrijgt)

                  Hoge transactiekosten (bij aan- en verkoop)









Slide 23 - Tekstslide

HOE ONTSTAAN Obligaties?
Een bewijs van deelname aan een langlopende lening

Een bedrijf wil investeren om te groeien, maar heeft het geld niet. Ze kunnen dit in 1 x lenen of meerdere kleine leningen doen.


Mensen kunnen dus geld in het bedrijf investeren. 
Ze kopen dus obligaties. 
Dat betekent dat ze geld lenen aan het bedrijf.
nb. denk ook aan staatobligaties ter dekking van de staatsschuld overheid van de BV Nederland

Slide 24 - Tekstslide

       Obligatie = schuldbewijs
Waarom hierin beleggen?
1. hoger rente percentage
2. geen/weinig risico

Slide 25 - Tekstslide

Rente en Obligatiekoers
De obligatie geeft een vaste rentevergoeding. Is deze vergoeding hoger dan de huidige marktrente dan is de obligatie aantrekkelijk          Vraag naar obligatie stijgt           Koers stijgt.   Omgekeerd werkt dit ook!

Slide 26 - Tekstslide

De beurskoers van een obligatie
is uitgedrukt in een % van de nominale waarde

Voorbeeld: nominale waarde van een obligatie is €250,- 
Op de obligatiebeurs is de obligatie op 15/9/2020 te koop voor €265,-

De beurskoers is €265/€250 x 100% = 106%

Slide 27 - Tekstslide

Couponrendement = (rente / nominale waarde) x 100%
Koersrendement =
(verkoopprijs obligatie - aankoopprijs obligatie)   x 100%
                           aankoopprijs  


Zie theorieboek opgave 8.16

Slide 28 - Tekstslide

8.6 Beleggingsfonds
Een lager risico ten opzichte van een belegging in 1 aandeel
Wat is een beleggingsfonds?
  • Een fonds verzamelt geld van een (grote) groep beleggers en belegt dat in bijvoorbeeld aandelen
  • Doordat in het fonds de belegging wordt gespreid over meerdere aandelen, is het risico lager ten opzichte van een belegging in (bijvoorbeeld) één aandeel.
  • Als geld wordt belegd in een beursindex (bijvoorbeeld de AEX-index) dan noemen we het een indexfonds

Slide 29 - Tekstslide

Risicospreiding bij beleggen is belangrijk!
Koop aandelen en obligaties van verschillende bedrijven en/of de overheid

Beleggingsfondsen spreiden zelf al risico's. Zij beleggen geld in een mix van vastgoed, aandelen, obligaties, contanten etc.
*Zij geven participaties uit (soort aandelen)
*Beleggingsfondsen kunnen verschillende doelen hebben

Slide 30 - Tekstslide

Converteerbare obligatielening (alleen vwo)
Dit is een obligatie die je kán omwisselen voor aandelen. Je ontvangt meestal een iets lagere rente dan op een gewone obligatie.

Voorbeeld: een 4% Obligatielening 
Conversievoorwaarden: Voor 1 obligatie van €500 nominaal en bijbetaling van €160, ontvang je bij conversie 10 aandelen met een nominale waarde van €50.

Wat is de conversieprijs?     (€500 + €160)/10 = €66  
        

Slide 31 - Tekstslide

Vervolgvraag: Wat is het voordeel (de winst) voor een houder van 1 obligatie bij een aandelenkoers van €80 ?  
10 x (€80-€66) = €140

De converteerbare obligatie is bij een aandelenkoers van €80, méér waard dan €500,- :

De waarde van de obligatie is dan: 
€500 + 10 x (80-66) = €640,-

  


 

Slide 32 - Tekstslide

Video
https://www.beursgeschiedenis.nl/moment/de-optiebeurs/


volgende slide: link naar powerpoint over
OPTIES (let op: slide 1 t/m 20)!

    7.5 Opties (vwo)

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Link

Samengevat

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide