De jaarrekening lezen (Bedrijfseconomie havo), les 3: Terugblik quiz

Een meubelmaker aan het werk in de werkplaats

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Quiz

Terugblik: De jaarrekening lezen

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van elf vragen over de posten van de jaarrekening, het resultaat en de accountantsverklaring.

Onderdelen in deze les

Een meubelmaker aan het werk in de werkplaats

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Quiz

Terugblik: De jaarrekening lezen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Ian Schneider / Wikimedia Commons, CC0

Een bank wil weten hoeveel geld een bv op 31 december schuldig is. Waar kijkt ze?

A

Naar de balans, bij het eigen vermogen

B

Naar de balans, bij het vreemd vermogen

C

Naar de winst- en verliesrekening, bij het resultaat

D

Naar de accountantsverklaring

Syllabus 26. Schulden staan op de balans bij het vreemd vermogen (lang en kort). Verwachte fout: de winst- en verliesrekening, omdat daar interest staat.

Waar staan crediteuren op de balans?

A

Bij de vlottende activa

B

Bij het lang vreemd vermogen

C

Bij het eigen vermogen

D

Bij het kort vreemd vermogen

Syllabus 26.1. Crediteuren zijn leveranciers die nog betaald moeten worden en meestal binnen een jaar. Verwachte fout: bij de vlottende activa, verward met debiteuren.

Vul in

Bij een obligatielening leent de bv geld van veel beleggers, bij een hypothecaire lening geeft ze het bedrijfspand als onderpand.

obligatielening
hypothecaire lening
onderhandse lening
rekening-courantkrediet

Syllabus 26.1. Verwachte fout: onderhandse lening en hypothecaire lening door elkaar halen.

Activa van Bloemenhuis Aster B.V.: winkelpand € 90.000, inventaris € 20.000, voorraad € 18.000, debiteuren € 7.000 en liquide middelen € 5.000. Hoe hoog zijn de vlottende activa?

A

€ 140.000

B

€ 110.000

C

€ 12.000

D

€ 30.000

Syllabus 26.1: vaste en vlottende activa. Uitwerking: vaste activa = 90.000 + 20.000 = 110.000; vlottende activa = 18.000 + 7.000 + 5.000 = 30.000; totaal activa 140.000. Verwachte fouten: totaal activa geven (€ 140.000), de vaste activa geven (€ 110.000) of de voorraad vergeten (€ 12.000).

Wat zijn reserves bij een bv?

Syllabus 26.1. Een goed antwoord: resultaten uit eerdere jaren die de bv niet heeft uitgekeerd maar heeft gehouden; ze staan bij het eigen vermogen. Verwachte fout: reserves zien als geld op de bank.

Welke twee overzichten vormen samen de jaarrekening?

A

De balans en het bestuursverslag

B

De balans en de winst- en verliesrekening

C

De winst- en verliesrekening en de accountantsverklaring

D

Het bestuursverslag en de accountantsverklaring

Syllabus 26. De jaarrekening is het cijferdeel. Verwachte fout: het bestuursverslag of de accountantsverklaring erbij rekenen; die horen bij het jaarverslag.

Waarom hoort voorraad bij vlottende activa?

Syllabus 26.1. Een goed antwoord: voorraad wordt binnen een jaar verkocht en daarmee omgezet in geld (of een vordering). Verwachte fout: zeggen dat voorraad bij de vlottende activa staat omdat het bezit is; dat geldt voor alle activa.

Welke post staat op de balans en niet in de winst- en verliesrekening?

A

De omzet

B

De afschrijving

C

De hypothecaire lening

D

De interest

Syllabus 26.1. Een lening is een schuld op de balans. Omzet, afschrijving en interest horen bij de winst- en verliesrekening. Verwachte fout: interest, omdat het bij een lening hoort.

Wie stelt de jaarrekening van een bv op?

A

Het bestuur van de bv

B

De bank die een lening geeft

C

Een belegger die aandelen koopt

D

De Belastingdienst

Syllabus 26.5. Het bestuur stelt de jaarrekening op, de externe accountant controleert. Verwachte fout: de bank of de Belastingdienst, die de cijfers alleen lezen of gebruiken.

Een investeerder ziet dat bij een bv de omzet stijgt van € 400.000 naar € 520.000 en de kosten van € 390.000 naar € 475.000. Wat is het resultaat geworden?

A

Het resultaat daalt, want de kosten stijgen

B

Het resultaat stijgt van € 10.000 naar € 45.000

C

Het resultaat blijft gelijk

D

Het resultaat stijgt met € 120.000

Syllabus 26. Uitwerking: vorig jaar 400.000 min 390.000 = 10.000; dit jaar 520.000 min 475.000 = 45.000. Controle: 45.000 min 10.000 = 35.000 meer. Verwachte fouten: kijken naar alleen de kosten of alleen de omzetstijging (€ 120.000).

Een bv heeft in de btw-aangifte meer btw ontvangen dan betaald en moet het verschil afdragen. Welke post is dat?

A

Te vorderen btw, bij de vlottende activa

B

Liquide middelen, bij de vlottende activa

C

Crediteuren, bij het kort vreemd vermogen

D

Te betalen btw, bij het kort vreemd vermogen

Syllabus 26.1. De bv moet geld afdragen aan de Belastingdienst: een schuld, dus kort vreemd vermogen. Verwachte fout: te vorderen btw.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Goed gedaan!

Je kunt nu de posten van een jaarrekening plaatsen en uitleggen, het resultaat en het eigen vermogen aan elkaar koppelen en de rol van de externe accountant benoemen.

Deze slide heeft geen instructies