Financiële feiten en begroting (Bedrijfseconomie vwo), les 3: Terugblik quiz

Sportkledingwinkel, Cala Millor. Foto: Steffen Mokosch, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Quiz

Terugblik: Financiële feiten en begroting

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met 11 vragen over het hele onderwerp: btw, overlopende posten, vooruitontvangen bedragen, periodetoerekeningstelsel en kasstelsel, afschrijving en het verband tussen resultaat en liquide middelen.

Onderdelen in deze les

Sportkledingwinkel, Cala Millor. Foto: Steffen Mokosch, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Quiz

Terugblik: Financiële feiten en begroting

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Steffen Mokosch / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een cursist betaalt € 9.000 voor 18 maanden les vanaf 1 oktober. Hoeveel is vooruitontvangen op 31 december?

A

€ 7.500

B

€ 1.500

C

€ 9.000

D

€ 6.000

Syllabus 28.2. € 9.000 / 18 = € 500 per maand. Tot 31 december is 3 maanden verdiend (€ 1.500 opbrengst), 15 maanden zijn nog te leveren: 15 x 500 = € 7.500 vooruitontvangen. Verwachte fouten: 1.500 (de opbrengst), 9.000 (alles), 6.000 (12 maanden).

Een inkoopfactuur is € 12.100 inclusief 21% btw. Met hoeveel stijgt de voorraad?

A

€ 12.100

B

€ 9.559

C

€ 2.100

D

€ 10.000

Syllabus 28.1. Bedrag excl. btw = 12.100 / 1,21 = 10.000; de btw is 2.100 en komt als te vorderen btw op de balans. Verwachte fouten: 12.100 (btw meetellen), 9.559 (12.100 min 21% daarvan), 2.100 (de btw).

Welk feit verandert alleen de balans en niet de resultatenrekening?

A

Een klant koopt contant een artikel

B

Een klant betaalt een eerder geleverde factuur

C

De inventaris wordt afgeschreven

D

Onderhoud van deze maand komt op rekening binnen

Syllabus 28.1. Betaling van een debiteur: liquide middelen stijgen, debiteuren dalen, de opbrengst is al geteld bij de verkoop. De andere feiten raken de omzet of de kosten.

Opbrengsten 90.000. Nog te ontvangen: begin 6.000, eind 4.000. Vooruitontvangen: begin 1.000, eind 2.500. Wat zijn de ontvangsten?

A

€ 93.500

B

€ 89.500

C

€ 90.500

D

€ 86.500

Syllabus 28.2 (vice versa). Ontvangsten = opbrengsten min toename nog te ontvangen plus toename vooruitontvangen = 90.000 - (4.000 - 6.000) + (2.500 - 1.000) = 90.000 + 2.000 + 1.500 = € 93.500. Controle: opbrengsten = 93.500 + (4.000 - 6.000) - (2.500 - 1.000) = 93.500 - 2.000 - 1.500 = 90.000. Verwachte fouten: 89.500 en 90.500 (een van de twee tekens omgekeerd), 86.500 (beide omgekeerd).

Vul in

Een nog te betalen bedrag is al een kost van de periode, maar nog geen uitgave in de periode.

nog te betalen
kost
uitgave
vooruitbetaald
opbrengst

Syllabus 28.2. Verwachte fout: nog te betalen en vooruitbetaald verwisselen.

Een winkel verkoopt in december voor € 20.000 op rekening; klanten betalen in januari. Wat klopt?

A

Periodetoerekening: januari; kasstelsel: december

B

Beide stelsels: december

C

Periodetoerekening: december; kasstelsel: januari

D

Beide stelsels: januari

Syllabus 28.4. De opbrengst ontstaat bij de levering in december (periodetoerekeningstelsel); de ontvangst komt in januari (kasstelsel). Verwachte fout: de stelsels omdraaien.

Opbrengsten 80.000, kosten 70.000 (incl. afschrijving 6.000). Debiteuren +4.000, voorraad +3.000, crediteuren +2.000, aflossing 5.000, privéopname 7.000. Liquide middelen?

A

Ze dalen met € 7.000

B

Ze dalen met € 1.000

C

Ze stijgen met € 9.000

D

Ze stijgen met € 11.000

Syllabus 28.3 (verbanden analyseren). Resultaat 10.000; afschrijving +6.000 (geen uitgave); debiteuren -4.000 (nog niet ontvangen); voorraad -3.000 (meer betaald dan verbruikt); crediteuren +2.000 (nog niet betaald); aflossing -5.000; privé -7.000. Totaal 10.000 + 6.000 - 4.000 - 3.000 + 2.000 - 5.000 - 7.000 = -1.000. Verwachte fouten: -7.000 (de afschrijving vergeten en de rest anders), +9.000 (de mutaties van debiteuren, voorraad en crediteuren met het verkeerde teken), +11.000 (aflossing en privé vergeten).

Een school betaalt in december vooruit voor een cursus in januari. Hoe staat dat bij de aanbieder op 31 december?

A

Als opbrengst in de resultatenrekening van dit jaar

B

Als nog te ontvangen bedrag bij de vlottende activa

C

Als debiteur bij de vlottende activa

D

Als vooruitontvangen bedrag onder het kort vreemd vermogen

Syllabus 28.2 en 28.4. Het geld is binnen (liquide middelen omhoog), maar de cursus is nog niet geleverd: een schuld aan de klant, dus vooruitontvangen. Verwachte fout: het bedrag als opbrengst zien omdat het is ontvangen (kasstelsel-denken).

Eigen vermogen begin 40.000. Resultaat 9.000, privéopname 6.500, privéstorting 1.500. Eigen vermogen eind?

A

€ 41.000

B

€ 47.000

C

€ 49.000

D

€ 44.000

Syllabus 28.1 en 28.3. 40.000 + 9.000 - 6.500 + 1.500 = € 44.000. Verwachte fouten: 41.000 (privéstorting als opname), 47.000 (privéopname en storting omgekeerd), 49.000 (privé helemaal vergeten).

Een inventaris van € 54.000 wordt in 6 jaar afgeschreven, elk jaar hetzelfde bedrag. Afschrijving per kwartaal?

A

€ 9.000

B

€ 2.250

C

€ 4.500

D

€ 13.500

Syllabus 28.1 (afschrijving op basis van aanschafwaarde). 54.000 / 6 = 9.000 per jaar; 9.000 / 4 = € 2.250 per kwartaal. Verwachte fouten: 9.000 (per jaar), 4.500 (per half jaar), 13.500 (54.000 / 4).

Een zaak heeft een hoog resultaat, maar de liquide middelen dalen. Welke oorzaak past?

A

De afschrijving is hoog

B

De crediteuren zijn gestegen

C

De debiteuren zijn sterk gestegen

D

De vooruitontvangen bedragen zijn gestegen

Syllabus 28.3 (verbanden analyseren). Hogere debiteuren: opbrengst geteld, geld nog niet binnen. De andere drie verhogen juist de liquide middelen ten opzichte van het resultaat: afschrijving is een kost zonder uitgave, hogere crediteuren zijn nog niet betaalde kosten of inkopen, vooruitontvangen bedragen zijn geld voor opbrengsten die nog komen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN

Goed gedaan!

Je kunt nu de gevolgen van financiële feiten analyseren, kosten en opbrengsten berekenen en een begroting met haar verbanden opstellen. Succes met het examen!

Deze slide heeft geen instructies