Sportkledingwinkel, Cala Millor. Foto: Steffen Mokosch, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Quiz
Terugblik: Financiële feiten en begroting
Sportkledingwinkel, Cala Millor. Foto: Steffen Mokosch, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Quiz
Terugblik: Financiële feiten en begroting
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Steffen Mokosch / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een cursist betaalt € 9.000 voor 18 maanden les vanaf 1 oktober. Hoeveel is vooruitontvangen op 31 december?
€ 7.500
€ 1.500
€ 9.000
€ 6.000
Syllabus 28.2. € 9.000 / 18 = € 500 per maand. Tot 31 december is 3 maanden verdiend (€ 1.500 opbrengst), 15 maanden zijn nog te leveren: 15 x 500 = € 7.500 vooruitontvangen. Verwachte fouten: 1.500 (de opbrengst), 9.000 (alles), 6.000 (12 maanden).
Een inkoopfactuur is € 12.100 inclusief 21% btw. Met hoeveel stijgt de voorraad?
€ 12.100
€ 9.559
€ 2.100
€ 10.000
Syllabus 28.1. Bedrag excl. btw = 12.100 / 1,21 = 10.000; de btw is 2.100 en komt als te vorderen btw op de balans. Verwachte fouten: 12.100 (btw meetellen), 9.559 (12.100 min 21% daarvan), 2.100 (de btw).
Welk feit verandert alleen de balans en niet de resultatenrekening?
Een klant koopt contant een artikel
Een klant betaalt een eerder geleverde factuur
De inventaris wordt afgeschreven
Onderhoud van deze maand komt op rekening binnen
Syllabus 28.1. Betaling van een debiteur: liquide middelen stijgen, debiteuren dalen, de opbrengst is al geteld bij de verkoop. De andere feiten raken de omzet of de kosten.
Opbrengsten 90.000. Nog te ontvangen: begin 6.000, eind 4.000. Vooruitontvangen: begin 1.000, eind 2.500. Wat zijn de ontvangsten?
€ 93.500
€ 89.500
€ 90.500
€ 86.500
Syllabus 28.2 (vice versa). Ontvangsten = opbrengsten min toename nog te ontvangen plus toename vooruitontvangen = 90.000 - (4.000 - 6.000) + (2.500 - 1.000) = 90.000 + 2.000 + 1.500 = € 93.500. Controle: opbrengsten = 93.500 + (4.000 - 6.000) - (2.500 - 1.000) = 93.500 - 2.000 - 1.500 = 90.000. Verwachte fouten: 89.500 en 90.500 (een van de twee tekens omgekeerd), 86.500 (beide omgekeerd).
Vul in
Een nog te betalen bedrag is al een kost van de periode, maar nog geen uitgave in de periode.
Syllabus 28.2. Verwachte fout: nog te betalen en vooruitbetaald verwisselen.
Een winkel verkoopt in december voor € 20.000 op rekening; klanten betalen in januari. Wat klopt?
Periodetoerekening: januari; kasstelsel: december
Beide stelsels: december
Periodetoerekening: december; kasstelsel: januari
Beide stelsels: januari
Syllabus 28.4. De opbrengst ontstaat bij de levering in december (periodetoerekeningstelsel); de ontvangst komt in januari (kasstelsel). Verwachte fout: de stelsels omdraaien.
Opbrengsten 80.000, kosten 70.000 (incl. afschrijving 6.000). Debiteuren +4.000, voorraad +3.000, crediteuren +2.000, aflossing 5.000, privéopname 7.000. Liquide middelen?
Ze dalen met € 7.000
Ze dalen met € 1.000
Ze stijgen met € 9.000
Ze stijgen met € 11.000
Syllabus 28.3 (verbanden analyseren). Resultaat 10.000; afschrijving +6.000 (geen uitgave); debiteuren -4.000 (nog niet ontvangen); voorraad -3.000 (meer betaald dan verbruikt); crediteuren +2.000 (nog niet betaald); aflossing -5.000; privé -7.000. Totaal 10.000 + 6.000 - 4.000 - 3.000 + 2.000 - 5.000 - 7.000 = -1.000. Verwachte fouten: -7.000 (de afschrijving vergeten en de rest anders), +9.000 (de mutaties van debiteuren, voorraad en crediteuren met het verkeerde teken), +11.000 (aflossing en privé vergeten).
Een school betaalt in december vooruit voor een cursus in januari. Hoe staat dat bij de aanbieder op 31 december?
Als opbrengst in de resultatenrekening van dit jaar
Als nog te ontvangen bedrag bij de vlottende activa
Als debiteur bij de vlottende activa
Als vooruitontvangen bedrag onder het kort vreemd vermogen
Syllabus 28.2 en 28.4. Het geld is binnen (liquide middelen omhoog), maar de cursus is nog niet geleverd: een schuld aan de klant, dus vooruitontvangen. Verwachte fout: het bedrag als opbrengst zien omdat het is ontvangen (kasstelsel-denken).
Eigen vermogen begin 40.000. Resultaat 9.000, privéopname 6.500, privéstorting 1.500. Eigen vermogen eind?
€ 41.000
€ 47.000
€ 49.000
€ 44.000
Syllabus 28.1 en 28.3. 40.000 + 9.000 - 6.500 + 1.500 = € 44.000. Verwachte fouten: 41.000 (privéstorting als opname), 47.000 (privéopname en storting omgekeerd), 49.000 (privé helemaal vergeten).
Een inventaris van € 54.000 wordt in 6 jaar afgeschreven, elk jaar hetzelfde bedrag. Afschrijving per kwartaal?
€ 9.000
€ 2.250
€ 4.500
€ 13.500
Syllabus 28.1 (afschrijving op basis van aanschafwaarde). 54.000 / 6 = 9.000 per jaar; 9.000 / 4 = € 2.250 per kwartaal. Verwachte fouten: 9.000 (per jaar), 4.500 (per half jaar), 13.500 (54.000 / 4).
Een zaak heeft een hoog resultaat, maar de liquide middelen dalen. Welke oorzaak past?
De afschrijving is hoog
De crediteuren zijn gestegen
De debiteuren zijn sterk gestegen
De vooruitontvangen bedragen zijn gestegen
Syllabus 28.3 (verbanden analyseren). Hogere debiteuren: opbrengst geteld, geld nog niet binnen. De andere drie verhogen juist de liquide middelen ten opzichte van het resultaat: afschrijving is een kost zonder uitgave, hogere crediteuren zijn nog niet betaalde kosten of inkopen, vooruitontvangen bedragen zijn geld voor opbrengsten die nog komen.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Goed gedaan!
Je kunt nu de gevolgen van financiële feiten analyseren, kosten en opbrengsten berekenen en een begroting met haar verbanden opstellen. Succes met het examen!
Deze slide heeft geen instructies