Trede 16.1 A Lineair verband

Trede 16.1 A
Lineair verband
Aan het eind van deze les kan jij:
  • regelmaat in een tabel herkennen.
  • een startgetal aflezen van een regelmatige tabel.
  • een hellingsgetal bepalen van een regelmatige tabel.
  • een woordformule schrijven bij een regelmatige tabel.
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Trede 16.1 A
Lineair verband
Aan het eind van deze les kan jij:
  • regelmaat in een tabel herkennen.
  • een startgetal aflezen van een regelmatige tabel.
  • een hellingsgetal bepalen van een regelmatige tabel.
  • een woordformule schrijven bij een regelmatige tabel.

Slide 1 - Tekstslide

Startgetal
Het startgetal is altijd het vaste deel van de formule.

Slide 2 - Tekstslide

Wat is het startgetal?
A
1
B
0
C
600
D
25

Slide 3 - Quizvraag

Wat is het startgetal?
A
60
B
20
C
40
D
1

Slide 4 - Quizvraag

Hellingsgetal
Het hellingsgetal is de toename of afname per 1 stap opzij.
Deze lees je af aan de onderkant van de tabel.
Het hellingsgetal is het variabele deel van de formule.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is het hellingsgetal?
A
1
B
25
C
600

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het
hellingsgetal?
A
5
B
2
C
2,5
D
3,5

Slide 7 - Quizvraag


Wat is het
hellingsgetal?
A
50
B
30
C
5
D
-5

Slide 8 - Quizvraag

Lengte in km = 20 + 20 x tijd in uren                 l = 20 + 20t
Regel opbouw lineaire formule (4 onderdelen):

Onderste rij = startgetal + of - hellingsgetal x bovenste rij
          1                       2                            3                     4
1
2
4
3
+20      +20       +20       +20

Slide 9 - Tekstslide

Wat is het hellingsgetal en startgetal?
antwoord hellingsgetal= ... en startgetal=.....

Slide 10 - Open vraag


wat is de lineaire formule bij deze tabel ?
A
aantal = 10 + 2 x bedrag
B
bedrag = 10 + 2 x aantal
C
10 + 2 x aantal
D
geen idee

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de formule bij deze tabel?
A
aantal = 10 + 5t
B
t = 5 + 10 x aantal
C
t = 10 + 5 x aantal
D
aantal = 5 + 10t

Slide 12 - Quizvraag

Antwoord
Verdiensten in € = 12 + 4 x aantal uren
Antwoord
Verdiensten in € = 10 + 1,50 x aantal uren

Let op! Het hellingsgetal is geen 4,50, omdat de stap boven in de tabel geen 1 is. 4,50 : 3 = 1,50

Slide 13 - Tekstslide