Conjunctuur en koopkracht (Economie vwo), les 1: Uitleg

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Conjunctuur en koopkracht

Examenstof economie vwo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over conjunctuur voor vwo: bbp-groei en -niveau, output gap (Y min Y*), natuurlijke werkloosheid, hoog- en laagconjunctuur, welvaartsverlies, CPI en koopkracht, exacte reële groei en reële rente, geldillusie en conjunctuurpolitiek. Met controlevragen na elk blok.

Onderdelen in deze les

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Conjunctuur en koopkracht

Examenstof economie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: I1 (1.1 t/m 1.5). Image credit: Ron Kroon / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Wat ga je kunnen?

Ik kan met de output gap de conjunctuur beschrijven en reële en nominale grootheden exact berekenen en beoordelen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden horen bij goede en slechte economische tijden?

Verwacht: werkloosheid, inflatie, groei, krimp, rente, koopkracht, overheid. Groepeer ze bij 'productie en werk' en 'prijzen en geld'. Die twee kanten komen in deze les terug: de output gap en de reële grootheden.

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Rotterdam Container Terminal bij zonsondergang

Hoe beschrijf je de conjunctuur?

  • Bbp-groei is de verandering van het bbp; het bbp-niveau is de hoogte ervan.

  • Daarnaast kijk je naar werkloosheid en werkgelegenheid, en naar inflatie en prijspeil (consumentenprijsindex).

  • De centrale bank stuurt met de nominale rente; de reële rente corrigeert die voor inflatie.

Syllabus I1.1. Veelgemaakte fout: bbp-groei en bbp-niveau door elkaar halen. Het niveau kan nog stijgen terwijl de groei afneemt. De reële rente werk je verderop uit. Image credit: VileGecko / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Productie Y en potentiële productie Y* in de tijd

Output gap: Y min Y*

  • De potentiële productie Y* is het structurele aanbod op lange termijn.

  • De feitelijke productie Y volgt de geaggregeerde vraag.

  • Output gap = Y - Y*, vaak uitgedrukt als percentage van de potentiële productie.

  • Boven de lijn van Y* is de output gap positief, eronder negatief.

Syllabus I1.1 en I1.2. Y komt uit de les structurele groei (productiefunctie). Veelgemaakte fout: de output gap berekenen als Y min Y, waardoor het teken omklapt. Image credit: LessonUp Studio (eigen figuur), CC0

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Natuurlijke werkloosheid

  • Natuurlijke werkloosheid is de structurele werkloosheid die hoort bij potentiële productie en constante inflatie.

  • Is Y gelijk aan Y*, dan is de werkloosheid gelijk aan de natuurlijke werkloosheid.

  • Het niveau ligt vast door structurele oorzaken op de arbeidsmarkt, niet door de conjunctuur.

  • Werkloosheid boven dat niveau komt door de conjunctuur.

Syllabus I1.2. De soorten structurele werkloosheid (onder andere frictie) komen aan bod in de les over de arbeidsmarkt; hier gaat het om het verband met de output gap. Veelgemaakte fout: denken dat de natuurlijke werkloosheid nul is.

Vul in: output gap

De output gap is Y min Y*. De natuurlijke werkloosheid hoort bij potentiële productie en constante inflatie.

Y
Y*
natuurlijke werkloosheid
A
conjuncturele werkloosheid

Output gap = Y - Y. De natuurlijke werkloosheid hoort bij Y en constante inflatie. Afleiders: A (productiviteit) en conjuncturele werkloosheid (de werkloosheid boven het natuurlijke niveau).

Zet de output gaps van laag naar hoog

1

Y = 940 en Y* = 1.000

2

Y = 1.150 en Y* = 1.200

3

Y = 1.020 en Y* = 1.000

4

Y = 880 en Y* = 900

Output gaps: -60, -50, -20 en +20. Verwachte fout: sorteren op Y in plaats van op Y min Y*.

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Bouwput met bouwkranen voor het metrostation bij Amsterdam Centraal, 1975

Hoogconjunctuur

  • Er is overbesteding: de feitelijke productie Y ligt boven de potentiële productie Y*.

  • De output gap is positief (> 0).

  • De werkloosheid ligt onder de structurele werkloosheid.

  • De vraag is groter dan het aanbod aankan, dus de inflatie loopt op.

Syllabus I1.2. De opwaartse prijsdruk volgt uit de vraag die het productievermogen overstijgt. Veelgemaakte fout: hoogconjunctuur gelijkstellen aan hoge groei van de potentiële productie. Image credit: Fotograaf onbekend / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Rij werklozen in Amsterdam, augustus 1933 (crisisjaren)

Laagconjunctuur

  • Er is onderbesteding: de feitelijke productie Y ligt onder de potentiële productie Y*.

  • De output gap is negatief (< 0).

  • De werkloosheid ligt boven de structurele werkloosheid.

  • Er is weinig vraag, dus de inflatie loopt terug.

Syllabus I1.2. Vraag aan de klas: waarom kan een economie jarenlang onder Y* blijven zitten? Dat leidt naar conjunctuurpolitiek. Image credit: Nationaal Archief / Spaarnestad Photo / Wikimedia Commons, geen auteursrechtbeperkingen

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Demonstratie tegen jeugdwerkloosheid bij een arbeidsbureau

Welvaartsverlies door schommelingen

  • Schommelingen in inflatie, inkomen en werkloosheid veroorzaken een welvaartsverlies.

  • Werkloosheid: productie en inkomen van werklozen gaan verloren.

  • Schommelend inkomen: je kunt je uitgaven minder goed spreiden.

  • Onverwachte inflatie: onzekerheid, en bij vaste nominale rente verliezen schuldeisers en winnen schuldenaren.

Syllabus I1.3. Herverdeling tussen schuldeisers en schuldenaren is op zich geen verlies voor de economie als geheel; het verlies zit in de onzekerheid die plannen en afspraken riskanter maakt. Image credit: Rob Bogaerts / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Noordland: werkloosheid 3,2%, natuurlijke werkloosheid 5,0%. Wat past hierbij?

A

Laagconjunctuur, met een positieve output gap

B

Laagconjunctuur, met een negatieve output gap

C

Hoogconjunctuur, met een negatieve output gap

D

Hoogconjunctuur, met een positieve output gap

Werkloosheid onder de natuurlijke werkloosheid betekent hoogconjunctuur en dus een positieve output gap. Verwachte fout: de richting omdraaien.

Waarom kost schommelend inkomen welvaart?

Goed antwoord: je kunt je uitgaven moeilijker spreiden over de tijd, en de onzekerheid kost welvaart. Verwachte fout: alleen noemen dat het inkomen soms laag is.

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Schappen in een supermarkt in Breda

Prijsindex, koopkracht en inflatie

  • De consumentenprijsindex (CPI) meet het prijspeil; inflatie is de procentuele stijging ervan.

  • Daalt de CPI, dan is er deflatie.

  • De koopkracht van een bedrag daalt als de CPI stijgt: bij 100 naar 125 koopt het 80% van eerst.

  • Basisjaar verleggen: deel elk indexcijfer door dat van het nieuwe basisjaar en maal 100.

Syllabus I1.4. Koopkracht en prijsindexcijfer zijn elkaars omgekeerde: bij CPI van 100 naar 125 is de koopkracht 100 : 125 = 80% van eerst. Veelgemaakte fout: denken dat de koopkracht dan 25% daalt. Image credit: G. Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Reële en nominale grootheden

  • Nominaal is zoals gemeten; reëel is gecorrigeerd voor het prijspeil.

  • Reëel indexcijfer = nominaal indexcijfer : prijsindexcijfer x 100.

  • De exacte reële loonstijging = (1 + nominale loonstijging) : (1 + inflatie) - 1.

  • Reële rente = (1 + nominale rente) : (1 + verwachte inflatie) - 1.

  • Geldillusie: je verwart reële en nominale grootheden, bijvoorbeeld blij zijn met een loonstijging die alleen de inflatie compenseert.

Syllabus I1.4. Voorbeeld: loon +9,2% bij 5% inflatie is exact een reële stijging van 1,092 : 1,05 - 1 = 4,0%, niet 4,2%. De reële rente rekende je al uit bij intertemporele ruil; hier pas je dezelfde logica toe op lonen en inkomens. Geldillusie: let op dat een nominale stijging gelijk aan de inflatie reëel niets oplevert.

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Conjunctuurpolitiek

  • Conjunctuurpolitiek probeert schommelingen te dempen met monetair beleid of begrotingsbeleid.

  • Monetair beleid: de centrale bank past de rente aan; een renteverlaging stimuleert de vraag.

  • Begrotingsbeleid: de overheid past uitgaven of belastingen aan.

  • Timing: het effect komt met vertraging, dus te late maatregelen kunnen de schommeling versterken.

  • Dosering: een te kleine of te grote stimulans corrigeert te weinig of schiet door.

Syllabus I1.5. Begrotingsbeleid en het IS-MB-GA-model komen later; hier alleen het idee en de beperkingen van timing en dosering.

De CPI daalt van 100 naar 80. Hoeveel koopt een gelijk bedrag nu meer?

A

20% meer

B

25% meer

C

80% meer

D

Evenveel, want het bedrag is gelijk

100 : 80 = 1,25, dus 25% meer. Verwachte fout: 20% (het verschil in indexpunten gedeeld door 100).

Vul in: reëel indexcijfer

Een reëel indexcijfer is het nominale indexcijfer gedeeld door het prijsindexcijfer, maal 100. Stijgt de CPI, dan daalt de koopkracht van een vast bedrag.

prijsindexcijfer
koopkracht
bbp-niveau
output gap

Reëel indexcijfer = nominaal : prijsindexcijfer x 100. Een hogere CPI betekent minder koopkracht.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Output gap en natuurlijke werkloosheid

2

Hoogconjunctuur en laagconjunctuur

3

Reële en nominale grootheden berekenen

4

Geldillusie en conjunctuurpolitiek

Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.

Wat is voor jou de kern van deze les?

Goed: een eigen samenvatting met output gap, conjunctuurfase en het verschil tussen nominaal en reëel. Bespreek een paar antwoorden.

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Begrippen (1/2)

  • bbp-groei en bbp-niveau: Verandering van het bbp, en de hoogte van het bbp.

  • potentiële en feitelijke productie: Y* is het structurele aanbod op lange termijn; Y volgt de geaggregeerde vraag.

  • output gap: Y - Y*: de feitelijke minus de potentiële productie.

  • natuurlijke werkloosheid: Structurele werkloosheid die hoort bij Y* en constante inflatie.

  • hoogconjunctuur en laagconjunctuur: Overbesteding met output gap > 0, of onderbesteding met output gap < 0.

Deze slide heeft geen instructies

CONJUNCTUUR · OUTPUT GAP

Begrippen (2/2)

  • consumentenprijsindex (CPI): Indexcijfer van het prijspeil; inflatie is de procentuele stijging.

  • koopkracht: Wat je voor een bedrag kunt kopen; daalt als de CPI stijgt.

  • reële rente: (1 + nominale rente) : (1 + verwachte inflatie) - 1.

  • geldillusie: Reële en nominale grootheden verwarren.

  • welvaartsverlies: Verlies door schommelingen in inflatie, inkomen en werkloosheid.

Deze slide heeft geen instructies