(formatief) PW grammatica alle zinsdelen

(formatief) PW grammatica h. 1 t.m. 6
Lees goed wat je precies moet doen.

Heel veel succes!
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

(formatief) PW grammatica h. 1 t.m. 6
Lees goed wat je precies moet doen.

Heel veel succes!

Slide 1 - Tekstslide

Noteer de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wg), het onderwerp (ow) en het lijdend voorwerp (lv) van de zin hieronder:
Dat meisje zou ik graag beter leren kennen.
Noteer je antwoord onder elkaar. pv: komt een zinsdeel niet voor? Zet dan een streepje -
wg:
ow:
lv:

Slide 2 - Open vraag

Noteer de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wg), het onderwerp (ow) en het lijdendvoorwerp (lv) van de zin hieronder:
Wanneer geef je je vriend zijn verjaardagscadeau?
Noteer je antwoord onder elkaar. pv: komt een zinsdeel niet voor? Zet dan een streepje -
wg:
ow:
lv:

Zin: Wanneer geef je je vriend zijn verjaardagscadeau?

Gebruik dezelfde

Slide 3 - Open vraag

Noteer de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wg), het onderwerp (ow) en het lijdend voorwerp (lv) van de zin hieronder:
Tijdens de grote schoonmaak heb ik per ongeluk een antieke vaas
laten vallen. Noteer je antwoord onder elkaar. pv: komt een zinsdeel niet voor? Zet dan een streepje -
wg:
ow:
lv:

Slide 4 - Open vraag

Noteer de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wg), het onderwerp (ow) en het lijdend voorwerp (lv) van de zin hieronder:
De meesterkok kookt altijd met verse ingrediënten uit de streek.
Noteer je antwoord onder elkaar. pv: komt een zinsdeel niet voor? Zet dan een streepje -
wg:
ow:
lv:

Slide 5 - Open vraag

Maak een zin met de volgende zinsdelen in de aangegeven volgorde.
Vroeger – pv/wg – ow – lv

Slide 6 - Open vraag

Noteer persoonsvorm (pv), werkwoordelijk gezegde (wg), onderwerp (ow), werkwoordelijk gezegde (wg), lijdend voorwerp (lv) en meewerkend voorwerp (mv). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-). Noteer je antwoorden weer onder elkaar.

De caissière gaf de klant het wisselgeld.

Slide 7 - Open vraag

Noteer persoonsvorm (pv), werkwoordelijk gezegde (wg), onderwerp (ow), werkwoordelijk gezegde (wg), lijdend voorwerp (lv) en meewerkend voorwerp (mv). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-). Noteer je antwoorden weer onder elkaar.

Wie van ons kan het werkstuk morgen aan de leraar overhandigen?

Slide 8 - Open vraag

Noteer persoonsvorm (pv), werkwoordelijk gezegde (wg) onderwerp (ow), werkwoordelijk gezegde (wg), lijdend voorwerp (lv) en meewerkend voorwerp (mv). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-). Noteer je antwoorden weer onder elkaar.


Het bestuur verwacht je om tien uur stipt in de vergaderruimte.

Slide 9 - Open vraag

Noteer persoonsvorm (pv), onderwerp (ow), werkwoordelijk gezegde (wg), lijdend voorwerp (lv) en meewerkend voorwerp (mv). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-). Noteer je antwoorden weer onder elkaar.

De medewerker van het toeristenbureau legt ons de weg naar het
uitkijkpunt uit.

Slide 10 - Open vraag

Welk werkwoord kan wél een meewerkend voorwerp bij zich hebben?
A
huilen
B
spelen
C
overhandigen
D
rijden

Slide 11 - Quizvraag

Noteer de persoonsvorm (pv), het onderwerp (ow), het werkwoordelijk gezegde (wg), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv) en bijwoordelijke bepaling (bwb). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-).

Op welk eiland heeft Nelson Mandela tot zijn vrijlating in 1990
vastgezeten?


Slide 12 - Open vraag

Noteer de persoonsvorm (pv), het onderwerp (ow), het werkwoordelijk gezegde (wg), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv) en bijwoordelijke bepaling (bwb). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-).

Tandartsen stellen hun patiënten voor een ingreep meestal gerust.

Slide 13 - Open vraag

Noteer de persoonsvorm (pv), het onderwerp (ow), het werkwoordelijk gezegde (wg), het lijdend voorwerp (lv), het meewerkend voorwerp (mv) en bijwoordelijke bepaling (bwb). Staat een zinsdeel niet in de zin? Zet dan een streepje (-).

Al jaren geeft Unicef mensen in ontwikkelingslanden kansen op een
betere toekomst.

Slide 14 - Open vraag

Wat is/ (zijn) de bijwoordelijke bepaling(en) van de volgende zin?

Houd de resetknop vijf seconden ingedrukt.
A
houd
B
de resetknop
C
vijf seconden
D
ingedrukt

Slide 15 - Quizvraag

Wat is/ (zijn) de bijwoordelijke bepaling(en) van de volgende zin?

Vanuit Den Helder vertrekken dagelijks veerboten.
A
vanuit Den Helder
B
vertrekken
C
veerboten
D
dagelijks

Slide 16 - Quizvraag

Terugkijken
Welke zinsdelen vond je erg lastig?

Slide 17 - Tekstslide

Einde van de proeftoets.

Slide 18 - Tekstslide