cross

Kennismaking + grammatica

Kennismaking 
+
grammatica
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Kennismaking 
+
grammatica

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Afspraken;
  • Wie ben ik?;
  • Wie zijn jullie?;
  • Uitleg grammatica;
  • Aan de slag.

Slide 2 - Tekstslide

Afspraken
  • Camera aan;
  • als ik je een vraag stel verwacht ik een reactie. 2x keer geen     reactie = absent;
  • vragen mag je stellen via de chatfunctie of je mag jouw hand opsteken via Teams.

Slide 3 - Tekstslide

Wat zijn mijn hobby's en waar woon ik? (2 minuten)
timer
1:30

Slide 4 - Open vraag

Wie ben ik?
  • Mevrouw Hoekstra
  • Sneek
  • Volleyballen, tennissen en racefietsen

Slide 5 - Tekstslide

Welke vraag heb je voor mij?
(2 minuten)
timer
2:00

Slide 6 - Open vraag

Wie zijn jullie?

Slide 7 - Tekstslide

Wat zijn jouw hobby's?
(2 minuten)
timer
2:00

Slide 8 - Open vraag

Grammatica blz. 133
Aan het eind van deze les weet/kun je vragende, aanwijzende, betrekkelijke en onbepaalde voornaamwoorden benoemen (vr.vnw, aanw.vnw, betr.vnw, onbep.vnw)

Slide 9 - Tekstslide

In welke zin staat een vragend voornaamwoord?
timer
1:00
A
Wie gaat er mee naar het zwembad?
B
Dit cadeau is voor jou.
C
Het cadeau dat ik heb gekregen, vond ik erg mooi.
D
Ik heb niets gekregen voor mijn verjaardag.

Slide 10 - Quizvraag

Vragend voornaamwoord (vr. vnw)
wie, wat, welke en wat voor (een)

Wie gaat er mee naar het zwembad?
Wat voor cadeau ga je kopen?

Kenmerken vr. vnw:

  • Vr. vnw staat meestal aan het begin van de zin
  • Soms staat vr. vnw midden in een zin, dan kun je de zin vragend maken door het vr. vnw vooraan in de zin te zetten
    Voorbeeld: Weet je al wie je kiest?
                             Wie kies je?

Slide 11 - Tekstslide

Bedenk een zin met een vragend voornaamwoord (3 minuten)
timer
3:00

Slide 12 - Open vraag

In welke zin staat een aanwijzend voornaamwoord?
timer
1:00
A
Wie gaat er mee naar het zwembad?
B
Dit cadeau is voor jou.
C
Het cadeau dat ik heb gekregen, vond ik erg mooi.
D
Ik heb niets gekregen voor mijn verjaardag.

Slide 13 - Quizvraag

Aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
deze, dit, die en dat
Dit cadeau is voor jou.
Dit is voor jou.

Kenmerken aanw. vnw:

  • Wijst iets of iemand aan.
  • Kan in plaats van een lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord staan.
  • Kan ook zelfstandig in een zin voorkomen. Het vervangt dan woorden. Je kunt het zelfstandig naamwoord er dan achter denken.
    Voorbeeld: Het cadeau weegt erg zwaar.
                            Dit moet je dus voorzichtig optillen. (Dit cadeau moet je dus voorzichtig optillen)



Slide 14 - Tekstslide

In welke zin staat een betrekkelijk voornaamwoord?
timer
1:00
A
Wie gaat er mee naar het zwembad?
B
Dit cadeau is voor jou.
C
Het cadeau dat ik heb gekregen, vind ik erg mooi.
D
Ik heb niets gekregen voor mijn verjaardag.

Slide 15 - Quizvraag

Betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw)
die, dat, wat en wie
Het cadeau dat ik heb gekregen, vind ik erg mooi.
Het spel dat jij net hebt gespeeld, lijkt mij ook leuk.
De persoon die dat heeft bedacht, is erg slim. 

Kenmerken betr. vnw: 

  • Verwijst terug naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat. Zo´n woord of       woordgroepje noem je het antecedent.
    Voorbeeld: De man die net langsliep, zwaaide vrolijk naar ons. 
                            Die = de man





Slide 16 - Tekstslide

In welke zin staat een onbepaald voornaamwoord?
timer
1:00
A
Wie gaat er mee naar het zwembad?
B
Dit cadeau is voor jou.
C
Het cadeau dat ik heb gekregen, vond ik erg mooi.
D
Ik heb niets gekregen voor mijn verjaardag.

Slide 17 - Quizvraag

Onbepaald voornaamwoord
iets, niets, niemand, iemand, alles, men, wat (=iets), elke, ieder(een)
Ik heb niets gekregen voor mijn verjaardag.
Hij heeft wat voor haar meegebracht.
Zij willen iets anders gaan doen.

Kenmerken onb. vnw:
  • Verwijst naar iets of iemand. Je kent geen bijzonderheden van de persoon of het ding.
     Voorbeeld: Hij heeft wat voor haar meegebracht.
                             wat = iets

Slide 18 - Tekstslide

Woordsoortbenoeming - Telwoord
  • Hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan

    Bepaalde hoofdtelwoorden (bep. hoofdtelw) 
    - Nauwkeurige hoeveelheid, ook breuken
       Bijvoorbeeld: één, twee, driehonderd, miljoen, een vierde

    Onbepaalde hoofdtelwoorden (onb. hoofdtelw)
    - Onnauwkeurige hoeveelheid
       Bijvoorbeeld: alle, weinig, wat, veel, sommige, enkele, verscheidene




Slide 19 - Tekstslide

Woordsoortbenoeming - Telwoord
  • Rangtelwoorden geven een plaats in een rangorde aan

    Bepaalde rangtelwoorden (bep. rangtelw)
    - Nauwkeurige plaats in een rangorde
       Bijvoorbeeld: eerste, tweede, honderdste, duizendste

    Onbepaalde rangtelwoorden (onb. rangtelw)
    - Onnauwkeurige plaats in een rangorde
       Bijvoorbeeld: middelste, laatste, zoveelste, hoeveelste

Slide 20 - Tekstslide

Aan de slag!
Huiswerk opdracht 8, 9, 10, 11 en 13 blz. 133 t/m 137

Extra opdracht | vr.vnw, aanw.vnw, betr.vnw, onbep.vnw

Tip: bekijk de filmpjes op it's learning. 

Slide 21 - Tekstslide