Werkplaats van een fietsenmaker
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Examentraining
Begrotingen opstellen: zo pak je examenvragen aan
Werkplaats van een fietsenmaker
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Examentraining
Begrotingen opstellen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Alextredz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan begrotingen invullen en laten zien hoe resultaat, eindbalans en liquide middelen samenhangen.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke periode, welke beginbalans en welke gegevens staan in de opgave?
2. Sorteer: hoort elk gegeven bij kosten of bij uitgaven, bij opbrengst of ontvangst?
3. Reken: werk de begroting stap voor stap uit en noteer tussenuitkomsten.
4. Controleer: sluit de eindbalans en klopt het geld met de liquiditeitsbegroting?
Deze slide heeft geen instructies
Een fietsenmaker repareert een fiets
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Vraagtype 1: de exploitatiebegroting
Je zet opbrengsten en kosten van de periode onder elkaar.
Reken verkoop op rekening mee als opbrengst en afschrijving als kost.
Privéopname, aflossing en aanschaf zijn geen kosten.
Image credit: Ibnebattutas / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Bloemist Aya: verkoop € 9.000 (waarvan € 1.500 op rekening), inkoop € 4.000 (voorraad gelijk), huur € 800, loon € 1.700, afschrijving € 200. Resultaat?
€ 2.300
€ 2.500
€ 800
€ 4.200
Syllabus 23.4. Uitwerking: kosten = 4.000 + 800 + 1.700 + 200 = 6.700; resultaat = 9.000 min 6.700 = 2.300. Verwachte fouten: afschrijving vergeten (€ 2.500), alleen de contante verkoop nemen (€ 800) of loon en afschrijving vergeten (€ 4.200).
Welke post staat wel in de exploitatiebegroting van een starter?
De aflossing van de lening
De privéopname van de ondernemer
De aanschaf van een nieuwe computer
De afschrijving van de bedrijfsauto
Syllabus 23.4. Afschrijving is een kost. Aflossing, privéopname en de aanschaf zelf zijn geen kosten van de periode: de aanschaf van een computer is geen kost, de computer komt als inventaris op de balans en alleen de afschrijving erop is een kost. Verwachte fout: de aanschaf, omdat er geld voor uitgaat.
Een winkelmedewerker achter de toonbank, Haarlem
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Vraagtype 2: de liquiditeitsbegroting
Je telt alleen geld dat echt binnenkomt of uitgaat.
Beginsaldo plus ontvangsten min uitgaven is het eindsaldo.
Op rekening: pas ontvangen of betaald in de maand van betaling.
Image credit: Fotopersbureau de Boer / Wikimedia Commons, CC0
Kapper Mo heeft op 1 juli € 4.200. Juli: ontvangsten € 7.000, uitgaven huur € 900, producten € 1.600, loon € 2.500, privé € 1.000. Saldo op 31 juli?
€ 6.200
€ 5.200
€ 1.000
€ 3.200
Syllabus 23.4. Uitwerking: uitgaven = 900 + 1.600 + 2.500 + 1.000 = 6.000; 4.200 + 7.000 min 6.000 = 5.200. Verwachte fouten: privéopname vergeten (€ 6.200), beginsaldo vergeten (€ 1.000) of ontvangsten en uitgaven omdraaien (€ 3.200).
In mei verkoopt een zaak € 6.000 contant en € 4.000 op rekening. Ook betalen klanten € 2.500 van april. Wat zijn de ontvangsten in mei?
€ 8.500
€ 12.500
€ 10.000
€ 6.000
Syllabus 23.4. Uitwerking: contant € 6.000 plus betaling van april € 2.500 = € 8.500. De € 4.000 op rekening komt pas later binnen. Verwachte fouten: alles optellen (€ 12.500), alleen de verkoop van mei (€ 10.000) of alleen de contante verkoop (€ 6.000).
Medewerkers van de Kamer van Koophandel in Haarlem
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Vraagtype 3: resultaat en geld
Je legt uit waarom resultaat en toename van geld verschillen.
Begin bij het resultaat: tel de afschrijving erbij op.
Trek verkoop op rekening af en tel inkoop op rekening erbij op.
Image credit: Fotopersbureau de Boer / Wikimedia Commons, CC0
Resultaat € 5.000, waarvan € 3.000 verkoop op rekening. Afschrijving € 800. Verder alles contant. Met hoeveel nemen de liquide middelen toe?
€ 5.000
€ 8.800
€ 2.800
€ 1.200
Syllabus 23.5. Uitwerking: 5.000 + 800 min 3.000 = 2.800. Verwachte fouten: gelijkstellen aan het resultaat (€ 5.000), de verkoop op rekening erbij optellen (€ 8.800) of de afschrijving aftrekken (€ 1.200).
Beginbalans: eigen vermogen € 10.000. Resultaat € 3.000, privéopname € 1.200. Eigen vermogen op de geprognosticeerde eindbalans?
€ 14.200
€ 11.800
€ 13.000
€ 5.800
Syllabus 23.5. Uitwerking: 10.000 + 3.000 min 1.200 = 11.800. Verwachte fouten: privéopname optellen (€ 14.200), privéopname vergeten (€ 13.000) of het resultaat aftrekken (€ 5.800).
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Vraagtype 4: de eindbalans
Je neemt de beginbalans over en verwerkt de veranderingen.
Inventaris min afschrijving, liquide middelen uit de liquiditeitsbegroting.
Controle: totaal activa is gelijk aan totaal passiva.
Deze slide heeft geen instructies
Beginbalans: inventaris € 6.000, voorraad € 2.000, liquide middelen € 5.000. Afschrijving € 600, liquide middelen worden € 7.400. Totaal activa eind?
€ 15.400
€ 14.200
€ 12.400
€ 14.800
Syllabus 23.4. Uitwerking: inventaris 6.000 min 600 = 5.400; 5.400 + 2.000 + 7.400 = 14.800. Verwachte fouten: afschrijving vergeten (€ 15.400), afschrijving twee keer (€ 14.200) of de liquide middelen van de beginbalans nemen (€ 12.400).
Crediteuren op de beginbalans € 2.000. Inkoop op rekening € 7.000, aan leveranciers betaald € 6.500. Crediteuren op de eindbalans?
€ 9.000
€ 8.500
€ 500
€ 2.500
Syllabus 23.4 en 23.5. Uitwerking: 2.000 + 7.000 min 6.500 = 2.500. Verwachte fouten: de betaling vergeten (€ 9.000), beginstand en betaling optellen (€ 8.500) of de beginstand vergeten (€ 500).
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
De exploitatiebegroting
De liquiditeitsbegroting
Resultaat en geld
De eindbalans
Bespreek het vraagtype dat de meeste leerlingen noemen met een tweede voorbeeld.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN
Tips voor op het examen
Schrijf bij elk gegeven wat het is: opbrengst, kost, ontvangst of uitgave.
Afschrijving is een kost en geen uitgave: dit is de meest gemaakte fout.
Aflossing en privéopname zijn uitgaven, maar geen kosten.
Controleer altijd of de eindbalans sluit en of de liquide middelen kloppen.
Deze slide heeft geen instructies