Woordenschatles
soep koken
Woordenschatles
soep koken
Leerdoel
Aan het einde van de les kun je woorden over soep koken begrijpen en gebruiken.
Wat weet je al over soep koken?
doen
Betekenis: Iets uitvoeren, een actie maken.
Vervoeging: ik doe, jij doet, hij doet, wij doen.
Zin: Ik doe water in de pan.
nodig hebben
Betekenis: Iets moeten hebben om iets te doen.
Vervoeging: ik heb nodig, jij hebt nodig, hij heeft nodig, wij hebben nodig.
Zin: Ik heb een pan nodig.
klaar
Betekenis: Af, gereed.
Zin: De soep is klaar.
koken
Betekenis: Iets warm maken in water of een andere vloeistof.
Vervoeging: ik kook, jij kookt, hij kookt, wij koken.
Zin: Ik kook de soep.
de liter
Betekenis: Een maat voor vloeistof.
Meervoud: de liters.
Zin: Ik koop een liter melk.
snijden
Betekenis: In stukken maken met een mes.
Vervoeging: ik snijd, jij snijdt, hij snijdt, wij snijden.
Zin: Hij snijdt de ui.
de minuut
Betekenis: 60 seconden.
Meervoud: de minuten.
Zin: De soep kookt 10 minuten.
de pan
betekenis: Een voorwerp om in te koken.
meervoud: de pannen
zin: Waar staat de pan?
de tomaat
Betekenis: Een rode groente of vrucht.
Meervoud: de tomaten
Zin: Ik koop tomaten.
de ui
Betekenis: een groente met een sterke geur en smaak.
Meervoud: de uien
Voorbeeldzin: Ik eet geen ui.
het zout
Betekenis: Een witte stof die eten meer smaak geeft.
Zin: Ik doe zout in de soep
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Wat heb je nodig om soep te koken?