SOORTVORMING · SELECTIE
Examentraining
Selectie en soortvorming: zo pak je examenvragen aan
SOORTVORMING · SELECTIE
Examentraining
Selectie en soortvorming: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Bernard Spragg / Wikimedia Commons, CC0
SOORTVORMING · SELECTIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan een cladogram lezen en opstellen, selectie in een situatie verklaren en soortvorming en isotopen toepassen.
Deze slide heeft geen instructies
SOORTVORMING · SELECTIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een situatie, een cladogram of een tabel met kenmerken?
2. Zoek: welk begrip hoort erbij: selectiedruk, adaptatie, isolatie, clade of verwantschap?
3. Verbind: leg het verband met een omdat: de groep kreeg meer nakomelingen, dus ...
4. Schrijf: een kort antwoord met de juiste begrippen en, bij rekenen, met eenheid.
Deze slide heeft geen instructies
SOORTVORMING · SELECTIE
Vraagtype 1: een cladogram lezen
Zoek de vertakkingen: elke vertakking is een gemeenschappelijke voorouder.
Twee soorten die aan dezelfde vertakking zitten, zijn het nauwst verwant.
Een clade bestaat uit een voorouder en al diens nakomelingen: volg alle takken vanaf de vertakking naar rechts.
Deze slide heeft geen instructies
Welke twee soorten zijn het nauwst verwant?
D en E
A en B
B en C
C en E
D en E komen van dezelfde vertakking (4), dus delen zij de meest recente voorouder. A en B zitten naast elkaar in de tekening, maar delen alleen vertakking 1 of 2 met veel andere soorten. Verwachte fout: A en B kiezen omdat zij boven elkaar staan. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welke soorten vormen samen de clade van vertakking 3?
D en E
B, C, D en E
A, B en C
C, D en E
Vertakking 3 is de voorouder van C, D en E; samen met alle nakomelingen vormt dat de clade. D en E zijn de clade van vertakking 4, B, C, D en E die van vertakking 2. Verwachte fout: D en E kiezen omdat dat het kleinste groepje is. Image credit: Eigen schema, LessonUp
SOORTVORMING · SELECTIE
Vraagtype 2: een cladogram opstellen
Zet de kenmerken in een tabel, bijvoorbeeld wervelkolom, vier poten, vruchtvlies en haren.
De soort met de minste kenmerken splitst het eerst af.
Elk nieuw kenmerk dat een groep deelt, geeft een nieuwe tak met die groep als clade.
Een kenmerk dat alle soorten hebben, bepaalt geen vertakking.
Deze slide heeft geen instructies
Welke soort splitst als eerste af in het cladogram?
De kikker
De zalm
De hagedis
De muis
De zalm heeft alleen een wervelkolom en de minste kenmerken, dus die splitst als eerste af; daarna de kikker, dan de hagedis en de muis. Verwachte fout: de muis kiezen omdat die de meeste kenmerken heeft. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welk kenmerk hebben alleen hagedis en muis samen?
Een vruchtvlies
Vier poten
Haren
Een wervelkolom
Alleen hagedis en muis hebben een vruchtvlies; vier poten heeft ook de kikker, haren alleen de muis en een wervelkolom alle soorten. Verwachte fout: vier poten kiezen omdat hagedis en muis dat allebei hebben. Image credit: Eigen schema, LessonUp
SOORTVORMING · SELECTIE
Vraagtype 3: selectie verklaren
Zoek de selectiedruk: welke factor bepaalt wie zich voortplant?
Welke erfelijke variant krijgt meer nakomelingen? Dat is de adaptatie.
Schrijf het als een keten: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, ander allel.
Bij partnerkeus is de keuze zelf de selectiedruk: seksuele selectie.
Deze slide heeft geen instructies
Vleugelloze kevers worden talrijker op een winderig eiland. Wat is de selectiedruk?
Het ontbreken van vleugels
Een mutatie voor kleine vleugels
De harde wind op het eiland
De hogere fitness van de kevers
De wind is de milieufactor die bepaalt wie zich voortplant. Het ontbreken van vleugels is de adaptatie, de hogere fitness het gevolg. Verwachte fout: de adaptatie als selectiedruk noemen.
Waarom kan een opvallende eigenschap door partnerkeus toch toenemen?
Opvallende eigenschappen helpen altijd bij overleven
Wie vaker gekozen wordt, krijgt meer nakomelingen
Partnerkeus verandert het DNA van de gekozen dieren
Roofdieren vermijden juist opvallende mannetjes
Bij seksuele selectie weegt het voortplantingssucces zwaarder dan de kleinere overlevingskans. Verwachte fout: denken dat de eigenschap dan ook de overlevingskans moet vergroten.
SOORTVORMING · SELECTIE
Vraagtype 4: soortvorming en tijd
Bepaal eerst: zit er een barrière tussen de groepen (allopatrisch) of niet (sympatrisch)?
Reproductieve isolatie is de basis: de groepen planten zich niet meer met elkaar voort.
Isotopen: tel de halveringstijden. Elke halveringstijd halveert de hoeveelheid die nog over is.
Deze slide heeft geen instructies
In één meer paren ondiepe en diepe vissen alleen onderling. Welke soortvorming?
Allopatrische soortvorming
Kunstmatige selectie
Co-evolutie
Sympatrische soortvorming
Er is geen barrière: de groepen leven in hetzelfde meer, maar paren niet meer met elkaar. Dat is sympatrisch. Verwachte fout: allopatrisch kiezen omdat ondiep en diep verschillende plekken lijken; er is geen barrière en de vissen zwemmen door hetzelfde meer.
Halveringstijd van isotoop X: 4 miljoen jaar. Nog 25% over. Hoe oud is het gesteente?
4 miljoen jaar
12 miljoen jaar
16 miljoen jaar
8 miljoen jaar
Van 100% naar 50% duurt 4 miljoen jaar, van 50% naar 25% nog eens 4 miljoen jaar: samen 8 miljoen jaar (2 halveringstijden x 4). Met 25% van de oorspronkelijke hoeveelheid is bedoeld: ten opzichte van het begin. Verwachte fout: 4 miljoen jaar (1 halveringstijd) of 12 miljoen jaar (dat hoort bij 12,5%).
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een cladogram lezen
Een cladogram opstellen
Selectie verklaren
Soortvorming en isotopen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld uit de uitleg.
SOORTVORMING · SELECTIE
Tips voor op het examen
Een clade is een voorouder met al diens nakomelingen: zoek de vertakking en volg alle takken ervan.
Organismen passen zich niet aan: wie al een gunstige erfelijke eigenschap heeft, krijgt meer nakomelingen.
Noem bij selectie altijd de selectiedruk, de erfelijke variatie en het verschil in aantal nakomelingen.
Allopatrisch is een andere plaats door een barrière; sympatrisch is dezelfde plaats met toch geen voortplanting.
Bij isotopen tel je halveringstijden: elke halveringstijd halveert wat er nog over is.
Deze slide heeft geen instructies