Afschrijving en interest
Afschrijving en interest
Open met het idee dat een machine of auto niet in één keer als kosten verdwijnt, maar over meerdere jaren verdeeld wordt. Dat vormt de brug naar afschrijving, boekwaarde en interest.
Leerdoel
Je kunt de afschrijvingskosten op duurzame productiemiddelen berekenen.
Je kunt de interestkosten op duurzame productiemiddelen berekenen.
Je kunt het resultaat berekenen bij verkoop of buitengebruikstelling van een duurzaam productiemiddel.
Je weet wat een afschrijvingsstaat is en kunt deze opstellen.
De gebruiker noemde meerdere leerdoelen. Volgens de instructie is één leerdoel leidend; dit deck kiest het berekenen van afschrijvingskosten als centrale doel, terwijl interest, verkoopresultaat en afschrijvingsstaat als noodzakelijke uitwerking terugkomen.
Welke woorden koppel jij aan afschrijving?
Gebruik de opbrengst om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: waardedaling, machine, kosten, boekwaarde, restwaarde, gebruiksduur, interest.
Wat is afschrijving?
Afschrijving = boekhoudkundige waardedaling van een duurzaam productiemiddel
Het gaat om kosten per periode
Voorbeelden: machine, bestelauto, inventaris
Je verdeelt de waardedaling over de jaren van gebruik
Deze slide heeft geen instructies
Technische of economische duur?
Technische gebruiksduur: zolang het middel technisch nog werkt
Economische gebruiksduur: zolang het financieel verstandig is om het te gebruiken
Voor afschrijving gebruik je de economische gebruiksduur
Die is vaak korter dan de technische gebruiksduur
Benadruk dat stijgende onderhoudskosten en dalende prestaties ertoe leiden dat vervanging eerder slim kan zijn dan technisch noodzakelijk.
Belangrijke begrippen
Waarom nodig?
Waarden
Aanschafprijs - prijs exclusief btw, plus installatiekosten
Restwaarde - verwachte opbrengst aan het eind van de economische gebruiksduur
Boekwaarde - aanschafprijs min eerdere afschrijvingen
Deze begrippen heb je nodig in bijna elke berekening
Ze bepalen samen hoeveel er nog moet worden afgeschreven
De boekwaarde verandert na elke periode
Deze slide heeft geen instructies
Twee afschrijvingsmethoden
Vast percentage van de aanschafprijs → elk jaar hetzelfde bedrag
Vast percentage van de boekwaarde → elk jaar een lager bedrag
De keuze hangt af van het verloop van de waardedaling
Bijvoorbeeld: auto's dalen vaak in het begin sneller in waarde
Deze slide heeft geen instructies
Lineair afschrijven
Bij lineaire afschrijving schrijf je elk jaar een gelijk bedrag af.
Formule:
(aanschafprijs - restwaarde) / economische gebruiksduur
Gebruik bewust de term lineair alleen als toelichting op 'vast percentage van de aanschafprijs', zodat leerlingen beide benamingen kunnen koppelen.
Welke gebruiksduur gebruik je bij afschrijven?
Economische gebruiksduur
Technische gebruiksduur
Fiscale gebruiksduur
Werkelijke gebruiksduur
Toets het onderscheid tussen technisch en economisch. Veel studenten kiezen technisch, omdat het middel dan nog 'werkt'.
Kernbegrippen bij afschrijving
Bij lineaire afschrijving schrijf je elk jaar een gelijk bedrag af. De formule is aanschafprijs min restwaarde, gedeeld door de economische gebruiksduur. De waarde volgens de boekhouding heet de boekwaarde.
Alleen de economische gebruiksduur hoort in de formule. Laat leerlingen hardop uitleggen waarom technisch hier niet past.
Voorbeeld lineaire afschrijving
Machine:
aanschafprijs € 80.000
restwaarde € 10.000
economische gebruiksduur 5 jaar
Jaarlijkse afschrijving:
(80.000 - 10.000) / 5 = € 14.000
Deze slide heeft geen instructies
Percentage en boekwaarde
Bij dezelfde machine:
Afschrijvingspercentage:
14.000 / 80.000 × 100% = 17,5%
Boekwaarde na 3 jaar:
80.000 - 3 × 14.000 = € 38.000
Wijs erop dat het percentage hier wordt berekend over de aanschafprijs, niet over de boekwaarde.
Aan de slag 1 t/m 4
Deze slide heeft geen instructies
Verkoop vóór einde gebruiksduur
Eerst bereken je de boekwaarde op het moment van verkoop
Daarna vergelijk je die met de verkoopopbrengst
Opbrengst lager dan boekwaarde = verlies
Opbrengst hoger dan boekwaarde = winst
Deze slide heeft geen instructies
Voorbeeld verkoopresultaat
Machine wordt na 4 jaar verkocht.
Boekwaarde na 4 jaar:
80.000 - 4 × 14.000 = € 24.000
Verkoopopbrengst: € 18.000
Resultaat: 24.000 - 18.000 = € 6.000 verlies
Deze slide heeft geen instructies
Wat is het resultaat als opbrengst lager is dan boekwaarde?
Restwaarde
Interest
Verlies
Winst
Sluit aan op de slides over verkoop vóór einde gebruiksduur.
Afschrijven op boekwaarde
Elk jaar hetzelfde percentage
Maar over een steeds lagere boekwaarde
Daardoor daalt het afschrijvingsbedrag per jaar
Past bij middelen die vooral in het begin snel waarde verliezen
Deze slide heeft geen instructies
Aan de slag met 5 t/m 6
Deze slide heeft geen instructies
Eerst de juiste aanschafprijs
Bestelauto kost € 42.350 inclusief 21% btw.
Voor afschrijving reken je met de prijs exclusief btw:
100 / 121 × 42.350 = € 35.000
Benadruk dat de tekst uitgaat van afschrijving op de prijs exclusief omzetbelasting.
Voorbeeld boekwaardemethode
Afschrijving = 40% van de boekwaarde
Jaar 1: 40% van 35.000 = € 14.000
Boekwaarde eind jaar 1: 35.000 - 14.000 = € 21.000
Jaar 2: 40% van 21.000 = € 8.400
Deze slide heeft geen instructies
Waarom daalt het afschrijvingsbedrag bij de boekwaardemethode?
De restwaarde stijgt
Het percentage daalt
De boekwaarde daalt
De btw daalt
Controleert begrip van het mechanisme, niet alleen de formule.
Afschrijven op boekwaarde
Bij afschrijving op boekwaarde gebruik je elk jaar hetzelfde percentage. Dat bereken je over de boekwaarde aan het begin van het jaar. Daardoor wordt het afschrijvingsbedrag per jaar lager. Voor de bestelauto reken je eerst met de prijs exclusief btw.
Let op het veelgemaakte misverstand dat je hier met de aanschafprijs blijft rekenen.
Waarom ook interest?
Een duurzaam productiemiddel kost geld dat pas later wordt terugverdiend.
Daarom reken je naast afschrijving ook interestkosten mee.
Deze slide heeft geen instructies
Interest per jaar berekenen
Gebouw:
aanschafprijs € 500.000
restwaarde € 20.000
gebruiksduur 40 jaar
interest 5%
Jaarlijkse afschrijving:
(500.000 - 20.000) / 40 = € 12.000
Deze slide heeft geen instructies
Interest in eerste en laatste jaar
Gemiddelde boekwaarde jaar 1:
(500.000 + 488.000) / 2 = € 494.000
Interest jaar 1:
5% van 494.000 = € 24.700
Gemiddelde boekwaarde laatste jaar:
(32.000 + 20.000) / 2 = € 26.000
Interest laatste jaar:
5% van 26.000 = € 1.300
Licht toe dat 488.000 de boekwaarde aan het eind van jaar 1 is: 500.000 - 12.000.
Gemiddelde interest over hele duur
Soms bereken je één vast interestbedrag per jaar.
Gemiddelde boekwaarde over de hele gebruiksduur:
(500.000 + 20.000) / 2 = € 260.000
Jaarlijkse interest:
5% van 260.000 = € 13.000
Deze slide heeft geen instructies
Waarover bereken je de interest in jaar 1 van het gebouw?
Gemiddelde boekwaarde
Restwaarde
Aanschafprijs
Jaarafschrijving
Toets de kernregel uit het interestvoorbeeld.
Wat vind jij lastiger bij interestkosten?
Gemiddelde boekwaarde
Percentage toepassen
Eerste jaar
Laatste jaar
Deze slide heeft geen instructies
Economische gebruiksduur
Naast afschrijving en interest zijn er complementaire kosten
Denk aan energie, bediening en onderhoud
Die kosten stijgen vaak in de tijd
Je zoekt de gebruiksduur met de laagste kosten per prestatie
Deze slide heeft geen instructies
Wanneer is de economische gebruiksduur bereikt?
Bij hoogste opbrengst
Bij laagste kosten per product
Bij laagste interest
Bij nul restwaarde
Distractors sluiten aan op begrippen uit de uitleg, maar slechts één criterium is juist.
Aan de slag
Opdracht 7
Deze slide heeft geen instructies
Wat is een afschrijvingsstaat?
Een afschrijvingsstaat is een overzicht van alle duurzame activa.
Per activum staan onder andere aanschafprijs, restwaarde, gebruiksduur, afschrijving en boekwaarde.
Leg uit dat dit een praktisch overzicht is dat aansluit op de boekhouding en helpt bij controle van vaste activa.
Onderdelen van de afschrijvingsstaat
Aanschafprijs
Restwaarde
Gebruiksduur
Afschrijving per jaar of maand
Voor het overzicht
Per activum
Boekwaarde begin periode
Boekwaarde eind periode
Verkoop of buitengebruikstelling
Aansluiting met de boekhouding
Deze slide heeft geen instructies
Auto in de afschrijvingsstaat
Gegevens auto:
aanschafprijs € 42.000
restwaarde € 4.200
gebruiksduur 8 jaar
Jaarlijkse afschrijving:
(42.000 - 4.200) / 8 = € 4.725
Deze slide heeft geen instructies
Van jaarbedrag naar maandbedrag
Afschrijving auto per maand:
4.725 / 12 = € 393,75
Tot en met eind jaar 9 is 47 maanden afgeschreven.
Cumulatieve afschrijving:
47 × 393,75 = € 18.506,25
Noem expliciet dat de afschrijving loopt vanaf de maand van aanschaf tot en met het einde van de gebruiksduur.
Boekwaarde begin en eind jaar
Boekwaarde begin jaar 10:
42.000 - 18.506,25 = € 23.493,75 ≈ € 23.494
Boekwaarde eind jaar 10:
23.494 - 4.725 = € 18.769
In een afschrijvingsstaat worden bedragen vaak afgerond op hele euro's
Deze slide heeft geen instructies
PC 1 in de afschrijvingsstaat
Gegevens PC 1:
aanschafprijs € 1.250
restwaarde € 125
gebruiksduur 5 jaar = 60 maanden
Maandelijkse afschrijving:
(1.250 - 125) / 60 = € 18,75
Benadruk dat deze berekening vaak letterlijk terugkomt bij het lezen of opstellen van een afschrijvingsstaat.
Wat moet je kunnen aflezen?
Is de gebruiksduur technisch of economisch? → economisch
Hoe is de afschrijving berekend?
Wat is de boekwaarde aan het begin van het jaar?
Wat is de boekwaarde aan het eind van het jaar?
Is er winst of verlies bij verkoop?
Deze slide vat samen welke denksprongen leerlingen moeten maken bij toetsvragen over de afschrijvingsstaat.
Wat staat altijd in een afschrijvingsstaat?
Verkoopprijs en btw
Aanschafprijs en boekwaarde
Loonkosten en omzet
Winst en interestvoet
Belangrijk subthema volgens de docent. Laat eventueel doorvragen welke andere onderdelen ook vaak in de staat staan.
Lezen van een afschrijvingsstaat
In een afschrijvingsstaat is de gebruiksduur meestal de economische gebruiksduur. De boekwaarde aan het begin van een jaar bereken je met de aanschafprijs min de cumulatieve afschrijving. De boekwaarde aan het eind van het jaar is de beginboekwaarde min de afschrijving van dat jaar.
Sluit direct aan op slides 25 t/m 29. Laat leerlingen de auto als voorbeeld noemen.
Aan de slag!
Opdracht 8 t/m 11
Deze slide heeft geen instructies
Wat heb jij vandaag het duidelijkst geleerd?
Vrije reflectie. Vraag eventueel door naar een concreet voorbeeld of berekening uit de les.
Welk onderdeel vind je nog lastig?
Vrije reflectie. Laat studenten benoemen welk onderdeel extra oefening vraagt.
Wat hielp jou het meest om dit te begrijpen?
Vrije reflectie op leerstrategie of lesopbouw.
Begrippenlijst
Afschrijving - de boekhoudkundige waardedaling van een duurzaam productiemiddel
Duurzaam productiemiddel - bedrijfsmiddel dat meerdere jaren meegaat
Technische gebruiksduur - periode waarin het middel technisch nog kan functioneren
Economische gebruiksduur - periode waarin gebruik financieel verantwoord is
Aanschafprijs - prijs exclusief btw, plus eventuele installatiekosten
Restwaarde - verwachte opbrengst aan het einde van de gebruiksduur
Boekwaarde - aanschafprijs min de afschrijvingen tot dat moment
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Interestkosten - kosten van het vermogen dat in het productiemiddel vastligt
Gemiddelde boekwaarde - het gemiddelde van beginboekwaarde en eindboekwaarde
Complementaire kosten - extra kosten naast afschrijving en interest, zoals onderhoud en energie
Afschrijvingsstaat - overzicht van duurzame activa met afschrijving en boekwaarde
Cumulatieve afschrijving - totaal van alle afschrijvingen tot een bepaald moment
Deze slide heeft geen instructies