VORMING · CULTUUR
Quiz
Terugblik: Cultuur en Hofstede
VORMING · CULTUUR
Quiz
Terugblik: Cultuur en Hofstede
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
Welk voorbeeld is een materieel aspect van een cultuur?
Taal
Waarden
Normen
Kleding
Goed: volgens de syllabus zijn kunstobjecten, architectuur en kleding materiële aspecten. Taal, waarden en normen zijn immateriële aspecten.
Noem een jongerensubcultuur.
Goed antwoord: een concrete jongerensubcultuur, bijvoorbeeld skaters, gamers of fans van een muziekstijl, liefst met een kenmerk dat afwijkt van de dominante cultuur. Verwachte fout: 'jongeren' zonder een bepaalde levensstijl.
Wat bood een jongerensubcultuur jongeren volgens de syllabus?
De kans om rollen uit te proberen
Een manier om de jeugdfase te bekorten
Zekerheid dat de dominante cultuur blijft
Een plek zonder invloed van communicatiemiddelen
Goed: jongeren kunnen er rollen aannemen en uitproberen. De jeugdfase wordt juist opgerekt, en nieuwe communicatiemiddelen spelen een rol.
Wat kan een sterke subcultuur volgens de syllabus veroorzaken?
Een lagere machtsafstand in het hele land
Het verdwijnen van de dominante cultuur
Spanning tussen groepsbinding en banden daarbuiten
Een hogere sociale cohesie voor iedereen
Goed: sterke groepsbinding kan botsen met banden met anderen buiten de groep, met in- en uitsluiting tot gevolg. Een leerling die hogere cohesie kiest, vergeet dat bindingen veranderen en dat dat de cohesie ook kan schaden.
Vul in: Hofstede
Hofstede onderscheidt zes dimensies. Volgens het model zijn de overeenkomsten binnen een land groter dan de variaties binnen dat land.
Syllabus 4.4. Veelgemaakte fout: subculturen invullen bij het tweede gat. Het model gaat juist uit van weinig variatie binnen een land.
In land W doen mannen en vrouwen duidelijk verschillende taken. Welke dimensie?
Individualistisch
Hoge onzekerheidsvermijding
Masculien
Hedonisme
Goed: duidelijk gescheiden genderrollen horen bij een masculiene samenleving. Bij feminien overlappen de rollen.
In land V maken onbekende situaties mensen onrustig, dus er zijn veel regels. Welke dimensie?
Hoge onzekerheidsvermijding
Kleine machtsafstand
Feminien
Langetermijngerichtheid
Goed: mensen voelen zich sneller bedreigd door onzekere situaties en maken daarom meer formele en informele regels. Een leerling die kleine machtsafstand kiest, ziet regels maar mist het gevoel van bedreiging.
In land U gaat het groepsbelang voor eigen wensen: je blijft bij het familiebedrijf. Welke dimensie?
Individualistisch
Hedonisme
Grote machtsafstand
Collectivistisch
Goed: het groepsbelang gaat voor, dat is collectivistisch. Individualistisch is het tegenovergestelde.
Land T kent strikte sociale normen voor uitgaan en feesten. Plezier wordt getemperd. Welke dimensie?
Hedonisme
Soberheid
Feminien
Individualistisch
Goed: bij soberheid wordt behoeftebevrediging gereguleerd door strikte sociale normen. Hedonisme is het andere uiterste van de zesde dimensie.
Een docent zegt: 'Landen veranderen niet, hun cultuur ligt vast.' Welke kritiek op Hofstede past?
Het beeld van cultuur is statisch
Het model benadrukt te veel de variatie
Het model gebruikt geen nationale culturen
Het model verdeelt de dimensies te ruim
Goed: het idee dat cultuur niet verandert is het statische cultuurbegrip, een kritiekpunt op Hofstede. De andere opties zijn niet de kritiek uit de syllabus.
Wat zijn normen in een cultuur?
Goed antwoord: regels of verwachtingen over hoe je je hoort te gedragen in een groep of samenleving. Verwachte fout: normen verwarren met waarden (wat belangrijk is).
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
VORMING · CULTUUR
Goed gedaan!
Je weet nu wat cultuur, dominante cultuur en subcultuur zijn, hoe de jongerencultuur ontstond, welke zes dimensies Hofstede onderscheidt en welke kritiek er is op zijn model.
Deze slide heeft geen instructies