VORMING · CULTUUR
Examentraining
Cultuur en Hofstede: zo pak je examenvragen aan
VORMING · CULTUUR
Examentraining
Cultuur en Hofstede: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
VORMING · CULTUUR
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over cultuur en Hofstede beantwoorden door culturen te classificeren, een bron aan een concept te koppelen en kritiek te formuleren.
Deze slide heeft geen instructies
VORMING · CULTUUR
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, leg uit, classificeer of beoordeel?
2. Zoek: de aanwijzing in de casus of bron: wat doen of vinden mensen?
3. Koppel: de aanwijzing aan een concept of aan één kant van een dimensie.
4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de bron, conclusie. Alleen een definitie is te weinig.
Deze slide heeft geen instructies
VORMING · CULTUUR
Vraagtype 1: een cultuur classificeren
Je krijgt een korte beschrijving van een samenleving en moet de dimensie noemen.
Noem de dimensie en de kant: grote of kleine, hoge of lage, het ene of het andere uiterste.
Schrijf ook de aanwijzing uit de casus op.
Syllabus 4.4 en A2. Vaardigheid: culturen classificeren aan de hand van de dimensies. Veelgemaakte fout: de dimensie noemen zonder de kant, of de aanwijzing niet uit de casus halen.
Op een school in land P spreekt niemand de docent tegen en de docent beslist alles. Welke dimensie?
Masculiene samenleving
Hoge onzekerheidsvermijding
Grote machtsafstand
Individualistische samenleving
Goed: iedereen accepteert dat macht ongelijk is verdeeld, dat is grote machtsafstand. Een leerling die hoge onzekerheidsvermijding kiest, ziet de strikte regels maar mist dat het om macht gaat.
Vul in: tijd en traditie
Sparen en volharden voor een beloning later past bij langetermijngerichtheid. Respect voor traditie past bij kortetermijngerichtheid, het andere uiterste.
Syllabus 4.4. Veelgemaakte fout: hedonisme invullen omdat het om genieten gaat. Dat is een andere dimensie.
VORMING · CULTUUR
Vraagtype 2: een bron koppelen aan een concept
Je krijgt een bronfragment of casus en moet het concept herkennen.
Onderstreep de zin die het concept laat zien en leg uit waarom die zin past.
Let op de woorden die het concept noemen: levensstijl, identiteit, groepsbinding, macht.
Syllabus 4.4 en A2: gegeven informatie uit een bron koppelen aan een concept. Veelgemaakte fout: het concept noemen dat bij het onderwerp past, maar niet bij de zin in de bron.
Bron: 'De kleine groep die het land bestuurt en bezit, bepaalt wat normaal is.' Welk begrip past?
Dominante cultuur
Subcultuur
Jongerencultuur
Collectivistische cultuur
Goed: de dominante cultuur is die van de groep met de invloedrijkste politieke of economische positie. Subcultuur wijkt er juist deels van af. Collectivisme gaat over groepsbelang boven individueel belang, niet over wie de dominante groep is.
Bron: 'Via filmpjes en chats probeert Dani elke maand een andere stijl uit.' Welke functie past?
De dominante cultuur versterken
Meer machtsafstand in de klas maken
De jeugdfase bekorten
Rollen uitproberen en een identiteit vormen
Goed: jongerensubculturen laten jongeren verschillende rollen uitproberen en een persoonlijke identiteit ontwikkelen, met een rol voor nieuwe communicatiemiddelen. De jeugdfase wordt juist opgerekt, niet bekort.
VORMING · CULTUUR
Vraagtype 3: kritiek op een model formuleren
Je moet een kritiekpunt op Hofstede noemen en uitleggen.
Gebruik de begrippen statisch, homogeen of stigmatiserend.
Leg het uit met de casus: waar gaat het model mis?
Syllabus 4.4 en A3 (kritisch beoordelen). Vaardigheid: kritiek op een model formuleren. Veelgemaakte fout: 'het model klopt niet' schrijven. Een goed antwoord noemt het kritiekpunt en koppelt het aan de casus.
Een rapport zegt: 'Alle inwoners van land Z zijn collectivistisch.' Welke kritiek past hierbij?
Te veel ruimte voor verschillen binnen een land
Het beeld van één homogene nationale cultuur
Een te vlotte verandering van cultuur in het model
De keuze om culturen helemaal niet te vergelijken
Goed: het model gaat uit van overeenkomsten binnen een land, en dat is het homogene idee van cultuur. De andere opties zijn het omgekeerde van de kritiek of staan niet in de syllabus.
Wat betekent een statisch cultuurbegrip?
Goed antwoord: een cultuur wordt gezien als vast, die niet of nauwelijks verandert in de tijd. Verwachte fout: statisch verwarren met homogeen (iedereen in een land is gelijk).
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een cultuur classificeren
Een bron koppelen aan een concept
Kritiek op een model formuleren
De zes dimensies uit elkaar houden
Deze slide heeft geen instructies
VORMING · CULTUUR
Tips voor op het examen
Noem bij een dimensie altijd de kant, bijvoorbeeld grote machtsafstand, en haal de aanwijzing uit de casus.
Hofstede beschrijft samenlevingen, geen personen. Schrijf dus 'in een samenleving met...' en niet 'die persoon is...'.
Bij kritiek: noem het kritiekpunt (statisch, homogeen of stigmatiserend) en leg het uit met de casus.
Deze slide heeft geen instructies