7.3 Molariteit

7.3 Molariteit
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

7.3 Molariteit

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • uitleggen wat wordt bedoeld met het begrip molariteit;
  • drie notaties gebruiken om de molariteit van een oplossing aan te geven;
  • met het begrip molariteit rekenen aan oplossingen van moleculaire stoffen en oplossingen van zouten.

Slide 2 - Tekstslide


Geef de oplosvergelijking van FeCl2

Slide 3 - Open vraag

Oplosvergelijking van FeCl2
  • FeCl2 bestaat uit Fe2+ en Cl-
  • FeCl2 (s) -> Fe2+ (aq) + 2 Cl- (aq)

Slide 4 - Tekstslide


Noteer op microniveau het verschil tussen een sterk zuur en een zwak zuur

Slide 5 - Open vraag


Geef aan of salpeterzuur een sterk of zwak zuur is en noteer vervolgens de notatie van een salpeterzuuroplossing (en eventueel ook de vergelijking van het evenwicht dat ontstaat)

Noteer bij het evenwicht de dubbele pijl als --> <--

Slide 6 - Open vraag


Geef aan of fosforzuur een sterk of zwak zuur is en noteer vervolgens de notatie van een fosforzuuroplossing (en eventueel ook de vergelijking van het evenwicht dat ontstaat)

Noteer bij het evenwicht de dubbele pijl als --> <--

Slide 7 - Open vraag


Geef aan of ammoniak (NH3)een sterke of zwakke base is en noteer vervolgens de notatie van een ammonia-oplossing (en eventueel ook de vergelijking van het evenwicht dat ontstaat)

Noteer bij het evenwicht de dubbele pijl als --> <--

Slide 8 - Open vraag

Slide 9 - Tekstslide

Bereken hoeveel mol overeenkomt met
25,0 gram waterstofchloride?
Gebruik Binas tabel 98

Slide 10 - Open vraag

Molrekenen
  • Waterstofchloride is HCl en daar is 25,0 g van.
  • Molaire massa van HCl is 36,461 g/mol 
  • Van gram naar mol -> delen door molaire massa


  • 25,0 g / 36,461 g/mol = 0,0,686 mol MgCl2

Slide 11 - Tekstslide

Molariteit
  • De hoeveelheid stof kan je uitdrukken in mol
  • Maar stoffen kunnen ook opgelost zijn; 
     Dan is de concentratie uit te drukken in het aantal mol  opgeloste stof per liter oplossing.

  • Dat is de molariteit.

Slide 12 - Tekstslide

Molariteit
De eenheden van molariteit kunnen als volgt worden genoteerd;

  • M, 
  • mol/L of mmol/ml


Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Notatie van molariteit
Er is 0,75 mol azijnzuur opgelost in 1 L water.
Je kunt dit dan op de volgende manieren noteren;

  • De molariteit CH3-COOH is 0,75 mol/L
     De molariteit CH3-COOH is 0,75 mmol/ml 
  • 0,75 M CH3-COOH
  • [CH3-COOH] = 0,75 M
     [CH3-COOH] = 0,75 mol/L (of mmol/ml)

Slide 15 - Tekstslide

Molariteit
  • Weergegeven als een M
  • Eenheid is mol/L of mmol/ml.

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Molariteit
  • Weergegeven als een M
  • Eenheid is mol/L of mmol/ml.

Slide 18 - Tekstslide

Je lost 25 g magnesiumchloride op tot 2,0 L oplossing. Bereken de concentratie van de magnesiumionen en chloride-ionen.

Slide 19 - Open vraag

Molariteit
  • Weergegeven als een M
  • Eenheid is mol/L of mmol/ml.

Slide 20 - Tekstslide

Je lost 6,00 g zwavelzuur op tot 0,250 L oplossing.
Bereken de molariteit van de oplossing.
Gebruik tabel 98

Slide 21 - Open vraag


Bereken van de 0,245 M H2SO4 oplossing de concentratie van de H+-ionen in de oplossing van 0,250 L. 
Gebruik tabel 98 en het gegeven dat 0,0612 mol H2SO4 is. 

Slide 22 - Open vraag