Basisrekenen tot 1000 (1F 1E en 1G woensdag)

1 / 44
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenISK

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Deze slide heeft geen instructies



Niet door les heen praten

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen vandaag?

  1. Alle soorten sommen oefenen op tijd

  2. Afsluiten 


Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel

Ik kan basisrekenvaardigheden toepassen en sommen met optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen tot 1000 correct oplossen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden horen voor jou bij rekenen tot 1000?

Gebruik de woordenwolk om voorkennis op te halen. Let op woorden als optellen, aftrekken, delen, keer, geld, verschil, schatten en groepjes.

Welke bewerking past?

  • Optellen: je voegt hoeveelheden samen

  • Aftrekken: je haalt er iets af of vergelijkt verschil

  • Vermenigvuldigen: je hebt gelijke groepjes

  • Delen: je verdeelt eerlijk of maakt gelijke groepjes

Benadruk dat leerlingen eerst moeten herkennen wat de situatie vraagt. Koppel elke bewerking aan een eenvoudig dagelijks voorbeeld, zoals geld, stuks of groepjes.

Schat eerst het antwoord

  • Rond af naar tientallen of honderdtallen

  • Zo weet je ongeveer wat uit de som moet komen

  • Een schatting helpt bij het controleren

  • Voorbeeld: 398 + 201 is ongeveer 400 + 200 = 600

Maak duidelijk dat schatten geen exact antwoord geeft, maar een controlemiddel is. Laat zien dat 398 + 201 nooit 800 kan zijn.

Controleer je uitkomst

Je kunt een som op meerdere manieren controleren.


  • reken terug met de omgekeerde bewerking

  • vergelijk met je schatting

  • kijk of het antwoord logisch is in de situatie

Voorbeelden: bij 650 - 120 = 530 kun je controleren met 530 + 120 = 650. Bij delen kun je controleren met vermenigvuldigen.

Kale sommen en ontbrekende getallen

  • Kale som: 240 + 130 = 370

  • Ontbrekend getal: 240 + ... = 370

  • Dan zoek je welk getal erbij moet

  • Gebruik de bewerking die past om het ontbrekende deel te vinden

Wijs op het verschil tussen een gewone som uitrekenen en redeneren vanuit een ontbrekend getal. Laat zien dat 370 - 240 helpt om het lege vak te vinden.

Optellen tot 1000

  • Reken stap voor stap met honderdtallen, tientallen en eenheden

  • Voorbeeld: 326 + 142

  • 300 + 100 = 400

  • 20 + 40 = 60

  • 6 + 2 = 8

  • Samen: 468

Gebruik plaatswaarde-taal steeds consequent: honderdtallen, tientallen, eenheden. Dat ondersteunt ook zwakkere rekenaars.

Welke bewerking past bij: 240 + ... = 370?

A

Aftrekken

B

Optellen

C

Delen

D

Vermenigvuldigen

Leerlingen zoeken het ontbrekende deel. Daarvoor helpt 370 - 240.

Aanpak bij optellen

Bij een som tot 1000 kijk je eerst welke bewerking past. Daarna kun je het antwoord schatten om te controleren. Bij 326 + 142 reken je met honderdtallen, tientallen en eenheden en samen krijg je 468.

bewerking
schatten
eenheden
verschil
delen
groepjes
komma

Alle woorden komen uit de vorige slides: bewerking kiezen, schatten en rekenen met plaatswaarde.

Wat is 15 keer 20?

07

second

A

400

B

150

C

300

D

250

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 100 minus 37?

07

second

A

63

B

53

C

43

D

73

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 9 gedeeld door 3?

07

second

A

3

B

2

C

4

D

5

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 25 plus 45?

07

second

A

60

B

75

C

80

D

70

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 18 keer 5?

07

second

A

80

B

100

C

90

D

70

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 50 gedeeld door 2?

07

second

A

30

B

25

C

20

D

15

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 200 minus 75?

07

second

A

150

B

135

C

115

D

125

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 6 keer 7?

07

second

A

36

B

48

C

40

D

42

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 81 gedeeld door 9?

07

second

A

8

B

10

C

9

D

7

Deze slide heeft geen instructies

Wat is 33 plus 67?

07

second

A

90

B

110

C

120

D

100

Deze slide heeft geen instructies

Welk signaalwoord past vaak bij aftrekken?

A

eerlijk

B

verschil

C

samen

D

per

Verwijs naar verschil vergelijken en naar de signaalwoorden op de slides over aftrekken.

Aftrekken en controleren

Bij aftrekken maak je een getal minder of zoek je het verschil tussen twee getallen. Als het begingetal ontbreekt, gebruik je de omgekeerde bewerking om terug te rekenen. Zo kun je 420 + 150 = 570 gebruiken als controle.

minder
verschil
omgekeerde bewerking
totaal
groepjes
komma
eerlijk

De derde blank is bewust een kernbegrip uit de uitleg over controleren en ontbrekende getallen.

Vermenigvuldigen met tafels

  • Vermenigvuldigen is handig bij gelijke groepjes

  • Voorbeeld: 6 × 4 betekent 6 groepjes van 4

  • Je kunt ook denken: 4 + 4 + 4 + 4 + 4 + 4

  • Uitkomst: 24

Koppel steeds de somnotatie aan de betekenis in groepjes. Dat voorkomt dat tafels alleen als rijtjes worden onthouden.

Vermenigvuldigen in de praktijk

  • 8 dozen met 5 flessen

  • Dat is 8 × 5 = 40 flessen

  • Gelijke aantallen samen  dan past vermenigvuldigen

Laat leerlingen de twee mogelijke lezingen horen: 8 groepjes van 5 en 5 groepjes van 8. De uitkomst blijft gelijk.

Delen als eerlijk verdelen

  • Delen gebruik je bij gelijke verdelingen

  • Voorbeeld: 24 : 6 = 4

  • 24 voorwerpen verdeeld over 6 mensen

  • Iedereen krijgt 4

Maak onderscheid tussen delen als verdelen en delen als aantal groepjes zoeken. Beide betekenissen komen terug in de les.

Delen als groepjes maken

  • Je hebt 28 koekjes

  • Je maakt groepjes van 7

  • Dan reken je 28 : 7 = 4

  • Je kunt 4 groepjes maken

Bespreek het verschil in vraag: niet iedereen krijgt iets, maar je zoekt hoeveel groepjes mogelijk zijn.

Controle bij delen en keer

  • Vermenigvuldigen en delen horen bij elkaar

  • 35 : 5 = 7

  • Controle: 7 × 5 = 35

  • Zo zie je of de uitkomst klopt

Noem deze bewerkingen elkaars omgekeerde. Dat helpt later ook bij ontbrekende getallen.

Wat betekent 6 × 4 in deze les?

A

6 eraf 4

B

6 groepjes van 4

C

6 verdeeld door 4

D

6 meer dan 4

Controleer of leerlingen de betekenis van vermenigvuldigen als gelijke groepjes begrijpen, niet alleen het antwoord 24 kennen.

Keer en delen

Bij vermenigvuldigen heb je vaak gelijke groepjes. Bij delen kun je eerlijk verdelen of groepjes maken. Je controleert 35 : 5 = 7 met 7 × 5 = 35.

gelijke groepjes
eerlijk verdelen
7 × 5
verschil
schatten
optellen
3 × 5

Deze oefening verbindt betekenis, context en controle van delen en vermenigvuldigen.

Decimalen in eenvoudige sommen

  • Decimalen kom je vaak tegen bij geld

  • Voorbeeld: 2,50 + 1,20 = 3,70

  • Reken euro's en centen netjes samen

  • Let goed op de komma

Beperk je tot eenvoudige decimalen zoals geldbedragen. Benoem dat de komma op dezelfde plaats moet blijven staan.

Prijsverschil met decimalen

  • Product A kost €4,75

  • Product B kost €3,20

  • Het prijsverschil is 4,75 - 3,20 = 1,55

Leg uit dat prijsverschil hetzelfde betekent als verschil vergelijken. Zo verbinden leerlingen decimalen aan eerdere aftreksommen.

Handige signalen in context

  • Samen, totaal, erbij → vaak optellen

  • Over, verschil, minder → vaak aftrekken

  • Per, groepjes van → vaak vermenigvuldigen

  • Verdelen, elk, eerlijk → vaak delen

Waarschuw dat signaalwoorden helpen, maar dat leerlingen altijd de hele situatie moeten lezen.

Van situatie naar som

Eerst begrijp je de situatie, daarna kies je de som.


  • Wat weet je al?

  • Wat moet je uitrekenen?

  • Welke bewerking past daarbij?

Dit is de brug tussen losse rekenvaardigheden en contextopgaven. Houd het algemeen, zonder nieuwe opgaven toe te voegen.

Welke som geeft een prijsverschil?

A

4,75 + 3,20

B

4,75 - 3,20

C

4,75 × 3,20

D

4,75 : 3,20

Prijsverschil sluit aan bij het eerdere begrip verschil vergelijken: dan past aftrekken.

Van situatie naar som

Bij geld kom je vaak decimalen tegen. Dan let je goed op de komma. Woorden als samen en totaal wijzen vaak op optellen, en woorden als verschil en minder vaak op aftrekken.

decimalen
komma
optellen
groepjes
delen
honderdtallen
eerlijk

Laat leerlingen de koppeling maken tussen contextwoorden en de juiste bewerking.

Wat hielp jou het meest bij deze les rekenen?

Bespreek welke strategieën leerlingen noemen, zoals schatten, terugrekenen, signaalwoorden herkennen, in stappen rekenen of de omgekeerde bewerking gebruiken.

Welke som vond jij het lastigst vandaag?

Mogelijke antwoorden: delen kiezen, aftrekken met verschil, decimalen met komma, ontbrekend getal vinden, of bewerking herkennen in een context.

Noem één ding dat je wilt onthouden van deze les.

Gebruik de uitkomsten als korte afsluiting. Verwachte woorden: schatten, verschil, groepjes, komma, controleren, omgekeerde bewerking.

Begrippenlijst

optellen - getallen samenvoegen tot een totaal

aftrekken - iets eraf halen of het verschil berekenen

vermenigvuldigen - rekenen met gelijke groepjes

delen - eerlijk verdelen of groepjes maken

schatten - vooraf ongeveer bepalen wat een passend antwoord is

ontbrekend getal - een getal in een som dat nog gevonden moet worden

verschil - hoeveel twee getallen van elkaar afwijken

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

gelijke groepjes - groepen met steeds evenveel erin

omgekeerde bewerking - een bewerking waarmee je een som kunt controleren

kale som - een som zonder verhaaltje of context

contextopgave - een som in een herkenbare situatie uit het dagelijks leven

decimaal getal - een getal met een komma, zoals 3,5 of 2,75

prijsverschil - het verschil tussen twee bedragen

Deze slide heeft geen instructies

Afsluiten:

  • Opruimen 

  • Op je stoel zitten

  • lesdoelen bespreken

  • Telefoons? Stoelen?

  • en...

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies