In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.
Lesduur is: 10 min
Introductie
Na deze les ken je de verschillende vormen van geld. Je weet de geldfuncties en kunt deze herkennen. Je kunt het verschil tussen directe en indirecte ruil uitleggen.
Onderdelen in deze les
GELD
Slide 1 - Tekstslide
leerdoelen
Na deze les ken je de verschillende vormen van geld. Je weet de geldfuncties en kunt deze herkennen. Je kunt het verschil tussen directe en indirecte ruil uitleggen.
Slide 2 - Tekstslide
Wat weet je nog?
Slide 3 - Tekstslide
Wat is een ander woord voor contant geld?
A
giraal geld
B
chartaal geld
Slide 4 - Quizvraag
Geld is een ruilmiddel wanneer ...
A
je iets koopt.
B
je geld in je spaarpot doet.
C
een rekensom maakt.
D
geld wit wast.
Slide 5 - Quizvraag
Als geld wordt gebruikt om de waarde van goederen en diensten aan te geven dan is het?
A
een betaalmiddel
B
giraal geld
C
een rekenmiddel
D
chartaal geld
Slide 6 - Quizvraag
Wat is chartaal geld?
A
munten
B
bankbiljetten
C
munten en bankbiljetten
D
giraal geld
Slide 7 - Quizvraag
Wat zijn Vreemde Valuta?
A
elektronisch geld
B
munten en bankbiljetten
C
buitenlands geld
D
euro's
Slide 8 - Quizvraag
Wat is budgetteren?
A
een begroting maken
B
een (financieel) plan maken
C
geld sparen
D
geld uitgeven
Slide 9 - Quizvraag
Slide 10 - Video
Chartaal geld
Contant geld.
Slide 11 - Tekstslide
Giraal geld
Geld op de bank waar je via je pinpas mee kunt betalen. Dus niet je geld op een spaarrekening.
Slide 12 - Tekstslide
Directe ruil
Je ruilt goederen en diensten voor andere goederen of diensten.
Slide 13 - Tekstslide
Indirecte ruil
Je ruilt goederen en diensten voor geld.
Slide 14 - Tekstslide
geldfuncties
RUILMIDDEL: je ruilt goederen of diensten voor geld