Modal verbs

Modal Verbs



1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Modal Verbs



Slide 1 - Tekstslide

Modal verbs

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Listen to the songs in the next video. Make a note of the modal verbs you hear. How many do you hear? Answer in the slide after the songs.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Songs in video. Answer here.How many modal verbs did you hear and which ones?

Slide 6 - Open vraag

Can & Be able to
1. Als je wilt zeggen dat iemand iets kan kun je can of be able to gebruiken.
2. Als je praat over vaardigheden dan gebruik je can, cannot en can't
3. Als je wilt zeggen dat iemand in staat is om iets te doen bijvoorbeeld naar een feestje gaan.
Zinnen met be able to zijn formeler dan can
4. als je wilt zeggen dat iemand iets kon gebruik je was / were able to + hele werkwoord.

Slide 7 - Tekstslide

I ___ swim very well.
A
can
B
am able to
C
be able to

Slide 8 - Quizvraag

I ___ come to your party tonight.
A
can
B
am able to
C
is able to
D
are able to

Slide 9 - Quizvraag

He ___ do that yesterday.
A
was not able to
B
were not able to
C
could not able to

Slide 10 - Quizvraag

Must, have to, should, ought to
1. Should (not) + hele werkwoord als jij vindt dat iets (niet) zou moeten. Je geeft advies of raadt iets af.
2. must (not) + hele werkwoord als jij vindt dat iets (niet) moet. Krachtiger dan should.
3. has to / have to + hele werkwoord om zekerheid, noodzaak of verplichting uit te drukken. Iets moet van iemand anders
4. ought to + hele werkwoord om advies te geven, als iets moet, als iets gedaan zou moeten. Deze is erg formeel.

Slide 11 - Tekstslide

I think you ___ do your homework.
A
should
B
have to

Slide 12 - Quizvraag

You ___ do your homework.
A
must
B
have to
C
should

Slide 13 - Quizvraag

It's a hospital. You ... smoke.
A
must not
B
don't have to
C
should not

Slide 14 - Quizvraag

May, might, be allowed to
1. may / might + hele werkwoord om toestemming te vragen of zeggen dat iets niet is toegestaan. 'may' is mogen en 'might' is zou mogen.

2. be allowed to + hele werkwoord om te zeggen dat iets (niet) is toegestaan volgens de regels.

Slide 15 - Tekstslide

... I ask you a question sir?
( Mag ik u een vraag stellen?)
A
may
B
might
C
am I allowed to

Slide 16 - Quizvraag

you ... (not) drive faster than 30km/h.
A
may not
B
might not
C
are not allowed to

Slide 17 - Quizvraag

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide


Drag the modal verbs to the correct expressions in the following slide.

Slide 22 - Tekstslide

Permission 


Possibility
Probability
Obligation
can
could
may
Toestemming
Mogelijkheid
Waarschijnlijkheid
might

will
would

Verplichting
should
must
ought to

Slide 23 - Sleepvraag

You are finished!- Check your homework.

Slide 24 - Tekstslide

Exercise
Choose between:
must (not) / have to / has to / do not have to / does not have to

Type only the modals

Slide 25 - Tekstslide

I __ visit my friend. It's her birthday.

Slide 26 - Open vraag

Sam __ wear a uniform at school.

Slide 27 - Open vraag

You __ go to the supermarket. I'll do it.

Slide 28 - Open vraag

You __ swim in this part of the river. It is very dangerous.

Slide 29 - Open vraag

You __ drink a lot of water when it's warm.

Slide 30 - Open vraag

Exercise
Rewrite the sentence using the given words

Slide 31 - Tekstslide

You are not allowed to talk during the test. (must not)

Slide 32 - Open vraag

It isn't necessary to bring food. (do not have to)

Slide 33 - Open vraag

I am obliged to finish this letter before midday. (have to)

Slide 34 - Open vraag

You are not allowed to leave the classroom without permission. (must not)

Slide 35 - Open vraag

It is not necessary to pay for the tickets. (do not have to)

Slide 36 - Open vraag

Homework: 


The next slide has a link about the modal verbs. Open the link and click on Video uitleg 'Engelse modals'


Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Link


Homework:
Open the links in the next two slides and do the excercises.

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Link

Slide 41 - Link

I think I understand how to use
modal auxiliary verbs.
A
Strongly agree.
B
Agree.
C
Disagree.
D
Strongly disagree.

Slide 42 - Quizvraag