Welvaart (1e) H1. Het BBP

Week 35 (vanaf 24 augustus 2026)
Hoofdstuk 1. Het BBP
  • actualiteit
  • leerdoelen
  • instructie
  • filmpje (toegevoegde waarde)
  • maakwerk: opdracht 1.1 t/m 1.10
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 35 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Week 35 (vanaf 24 augustus 2026)
Hoofdstuk 1. Het BBP
  • actualiteit
  • leerdoelen
  • instructie
  • filmpje (toegevoegde waarde)
  • maakwerk: opdracht 1.1 t/m 1.10

Slide 1 - Tekstslide

Actualiteit
Nederlandse kolencentrales draaien weer volop, veel stroom naar het buitenland







Opdracht
Welke raakvlakken heeft deze actualiteit met de 4 onderwerpen van ons komend schooljaar?
1. Welvaart, 2. Marktgedrag, 3. Marktresultaat & Overheidsinvloed en 4. Wereldeconomie

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen H1. Het BBP
  • Ik beheers de begrippen en gedetailleerde leerdoelen op pagina 17 (zie ook LWEO).
  • Ik kan berekeningen uitvoeren met de reële en de nominale waarde.
  • Ik kan het BBP en NBP berekenen via de objectieve en subjectieve methode.










Slide 3 - Tekstslide

BBP
Het Bruto Binnenland Product (BBP) = de totale (toegevoegde) waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar).

Het BBP dient als maatstaf voor
de welvaart in een land!

meer productie
=> hoger BBP
=> meer welvaart


Slide 4 - Tekstslide

Economische groei
Economische groei is de groei van het reële BBP (= volume = aantal producten = koopkracht).
We corrigeren het nominale BBP (= waarde = geldbedrag) daarom met het CPI (= inflatie of
deflatie = prijs).

Dit doen we via indexcijfers met de formule: RIC = NIC / PIC x 100

 

  • Nominaal IndexCijfer (NIC) = verandering van het geldbedrag in procenten
        t.o.v. het basisjaar
  • Prijs IndexCijfer (PIC) = verandering van het gemiddeld prijsniveau in
        procenten t.o.v. basisjaar.
  • Reëel IndexCijfer (RIC) = verandering van de hoeveelheid goederen die
        met een bedrag gekocht kan worden in procenten t.o.v. het basisjaar (koopkracht)
ReeelIndexCijfer(RIC)=​PrijsIndexCijfer(PIC)​​NominaalIndexCijfer(NIC)​​⋅100

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht 1.3 (pagina 7)
a. Bereken de economische groei wanneer het nominale BBP 6% groeit en er 3% inflatie is.
  • indexcijfer nominale BBP (NIC) = 106
  • indexcijfer inflatie (PIC) = 103
  • indexcijfer reële BBP (RIC) = (NIC / PIC) x 100 = 106 / 103 x 100 = 102,9
  • economische groei = 2,9%
b. Bereken hoeveel het nominale BBP moet groeien om bij een inflatie van 4% een stijging van het reële BBP van 3% te bereiken.
  • indexcijfer inflatie (PIC) = 104
  • indexcijfer reële BBP (RIC) = 103
  • indexcijfer nominale BBP (NIC) = (RIC x PIC) / 100 = (103 x 104) / 100 = 107,1
  • nominale BBP moet 7,1% groeien
timer
3:00

Slide 6 - Tekstslide

Toegevoegde waarde





toegevoegde waarde
= omzet - inkoopwaarde (van de omzet)
= productie
= inkomen (bedrijf)

Slide 7 - Tekstslide

Bedrijfskolom
Een bedrijfskolom bestaat uit alle bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen van oerproduct tot eindproduct.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Productiefactoren

Slide 10 - Tekstslide

Productiefactoren & Inkomen

Slide 11 - Tekstslide

Oefening

Toegevoegde Waarde = Omzet - Inkoopwaarde = Productie = Inkomen

Er zijn twee bedrijven: Williams en Creemers:
  • Het bedrijf Williams heeft een pindanotenfarm. Het bedrijf Creemers is de enige klant van Williams. Creemers verpakt de pindanoten in zakjes en verkoopt ze aan de consument. Williams heeft een omzet van € 50.000 en geen inkoopkosten. De arbeiders ontvangen € 20.000 aan loon. Aan rente, huur en pacht is het bedrijf 25% van de productiewaarde kwijt. De rest van de toegevoegde waarde bestaat uit winst.
  • Creemers heeft een omzet van € 100.000. Het bedrijf koopt alleen pindanoten in bij Williams. Aan energie en verpakkingsmaterialen betaalt ze € 10.000 aan andere leveranciers. Aan loon wordt € 18.000 uitbetaald. Aan rente, huur en pacht € 5.000.

a. Bereken de winst van bedrijf Williams.
b. Bereken hoeveel er in totaal aan inkomen wordt verdiend in beide bedrijven samen.
c. Bereken de toegevoegde waarde door het berekenen van de bijdrage van elk bedrijf aan de totale productie.

timer
5:00

Slide 12 - Tekstslide

Uitwerking
Toegevoegde Waarde = Omzet - Inkoopwaarde = Productie = Inkomen

a. Bereken de winst van bedrijf Williams.
  • er zijn geen inkoopkosten, dus de hele omzet van € 50.000 is toegevoegde waarde (productiewaarde) voor Williams
  • winst = € 50.000 (omzet) - € 20.000 (loon) - € 12.500 (rente, huur en pacht = 25% van de productiewaarde) = € 17.500
b. Bereken hoeveel er in totaal aan inkomen wordt verdiend in beide bedrijven samen.
  • inkomen Williams: € 20.000 (loon) + € 12.500 (rente, huur en pacht) + € 17.500 (winst) = € 50.000
  • winst Creemers: € 100.000 (omzet) - € 50.000 (inkoop bij Williams) - € 10.000 (inkoop bij anderen) - € 18.000 (loon) - € 5.000 (rente, huur en pacht) = € 17.000 
  • inkomen Creemers: € 18.000 (loon) + € 5.000 (rente, huur en pacht) + € 17.000 (winst) = € 40.000
  • totale inkomen =  € 50.000 (Williams) + € 40.000 (Creemers) = € 90.000
c. Bereken de toegevoegde waarde door het berekenen van de bijdrage van elk bedrijf aan de totale productie.
  • toegevoegde waarde Williams = € 50.000
  • toevoegde waarde Creemers = € 100.000 - € 50.000 (inkoop bij Williams) - € 10.000 (inkoop bij anderen) = € 40.000
  • totale toegevoegde waarde = € 50.000 (Williams) + € 40.000 (Creemers) = € 90.000

Slide 13 - Tekstslide

Primaire inkomens (en secondaire)
Primaire inkomens (loon, pacht, huur, rente en winst)
+ Overdrachtsinkomens (sociale uitkeringen en toeslagen zoals huur, zorg en kinderopvang)
- Belastingen en sociale premies (progressief)
= Secondaire inkomens = netto besteedbaar inkomen




  • Primaire inkomens (loon, pacht, huur, rente en winst) dragen bij aan de productie!
  • Overdrachtsinkomens (sociale uitkeringen en toeslagen) dragen niet bij aan de productie!

Slide 14 - Tekstslide

BBP objectief en subjectief
                                  via de productie BBP         =          via het inkomen BBI
                                 (objectieve methode)                   (subjectieve methode)







                             + ambtenarensalarissen                     + afschrijvingen

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 1.6 en 1.9 (pagina 9/10) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 1.1 t/m 1.10

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht 1.6 (pagina 9)
a. Bereken de winst per maand van de pizza-bezorgservice.
  • winst = omzet - kosten
  • winst = 30.000 - (9.000 + 12.000 + 1.000 + 3.000 + 300) = € 4.700
b. Toon met een berekening aan dat de productiewaarde bij subjectief/objectief gelijk is.
  • productiewaarde (objectief) = omzet - inkoopwaarde = 30.000 - 9.000 = € 21.000 
  • productiewaarde (subjectief) = som van de verdiende inkomens + afschrijvingen = (12.000 + 1.000 + 3.000 + 4.700) + 300 = € 21.000
c. Bereken hoeveel % van het totale inkomen uit kapitaalinkomen bestaat.
  • kapitaalinkomen = 3.000 + 1.000 = 4.000
  • totale inkomen = 12.000 + 1.000 + 3.000 + 4.700 = € 20.700
  • kapitaalinkomensquote = 4.000 / 20.700 = 19,3%

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht 1.9 (pagina 9/10)

Slide 19 - Tekstslide

Week 35 (vanaf 24 augustus) 
Hoofdstuk 1. Het BBP
  • actualiteit
  • herhaling vorige les (BBP)
  • leerdoelen
  • filmpje (BBP volgens het CBS)
  • instructie (AIQ en KIQ)
  • maakwerk: opdracht 1.11 t/m 1.16

Slide 20 - Tekstslide

Herhaling vorige les

Slide 21 - Tekstslide

Herhaling vorige les
                                  via de productie BBP         =          via het inkomen BBI
                                 (objectieve methode)                   (subjectieve methode)







                             + ambtenarensalarissen                     + afschrijvingen

Slide 22 - Tekstslide

Oefening BBP
Objectieve methode (Productie)
  • Omzet bedrijven                                                              € 850
  • Inkoopwaarde bedrijven                                                € 240 -
  • Bruto toegevoegde waarde bedrijven                       €  610 
  • Loon overheid                                                                   €   40 +
  • Bruto Binnenlands Product (BBP)                              € 650

Subjectieve methode (Inkomen)
  • Loon bedrijven                                                                  € 470
  • Loon overheid                                                                   €   40 +
  • Winst bedrijven                                                                €   85 +
  • Overige primaire inkomens bedrijven                       €    15 +
  • Primair inkomen binnenland                                       €  610
  • Afschrijvingen bedrijven                                                €   40 +
  • Bruto Binnenlands Product (BBP)                              € 650
timer
3:00

Slide 23 - Tekstslide

Leerdoelen H1. Het BBP
  • Ik beheers de begrippen en gedetailleerde leerdoelen op pagina 17 (zie ook LWEO).
  • Ik kan berekeningen uitvoeren met de reële en de nominale waarde.
  • Ik kan het BBP en NBP berekenen via de objectieve en subjectieve methode.
  • Ik kan beschrijven hoe de toegevoegde waarde van de overheid en niet commerciële instellingen bepaald wordt.
  • Ik kan verklaren waarom de afschrijvingen aan de primaire inkomens toegevoegd moeten worden om het BBP te bepalen.
  • Ik kan het verschil beschrijven tussen het BBP (of BBI) en het NBP.
  • Ik kan het verschil beschrijven tussen het BBP en het BNP.
  • Ik kan de AIQ en KIQ berekenen en welke factoren de hoogte hiervan beïnvloeden.










Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Toegevoegde waarde (bedrijven)








Afschrijvingen zijn voor een bedrijf kosten. Gemaakte kosten verlagen de winst, net als de andere primaire inkomens. De afschrijvingen maken het verschil tussen het BBP en het NBP (en het BBI en het NBI).

Slide 26 - Tekstslide

Toegevoegde waarde (overheid)




Ambtenarensalarissen tellen we mee, omdat we moeilijk een prijs kunnen drukken op inspanningen en diensten van de politie of andere ambtenaren.

Slide 27 - Tekstslide

BBP en NNI
Bij het Bruto Binnenlands Product (BBP) gaat het over de productie in een land.
Bij het Netto Nationaal Inkomen (NNI) (= productie) wordt rekening gehouden met de oorsprong van het inkomen (= productie).

Slide 28 - Tekstslide

Oefening NNI
Objectieve methode (Productie)
  • Bruto Binnenlands Product (BBP)                              € 650
  • Afschrijvingen bedrijven                                                €   40 -
  • Netto Binnenlands Product                                          €  610
  • Saldo primaire inkomens uit buitenland                  €    20 +
  • Netto Nationaal Inkomen (NNI)                                  €  630

Subjectieve methode (Inkomen)
  • Loon bedrijven                                                                  € 470
  • Loon overheid                                                                   €   40 +
  • Winst bedrijven                                                                €   85 +
  • Overige primaire inkomens bedrijven                       €    15 +
  • Primair inkomen binnenland                                       €  610
  • Saldo primaire inkomens uit buitenland                  €   20 +
  • Netto Nationaal Inkomen (NNI)                                  € 630
timer
3:00

Slide 29 - Tekstslide

BBP berekenen








De objectieve en de subjectieve methode hebben we in dit hoofdstuk 1 (Het BBP) behandeld. De bestedingsmethode komt aan bod in hoofdstuk 3 (De vraagkant).
(ambtenarensalarissen)
+ afschrijvingen

Slide 30 - Tekstslide

Categoriale inkomensverdeling
De categoriale inkomensverdeling is de verdeling van het nationaal inkomen tussen arbeid (loon) en kapitaal (huur, pacht, rente en winst).



 



Een bedrijfstak met een relatief hoge AIQ noemen we arbeidsintensief. Een bedrijfstak met een relatief hoge KIQ noemen we kapitaalintensief.
ArbeidsInkomen=LoonWerknemers+ToegerekendLoonZelfstandigen
KapitaalInkomen=Huur+Pacht+Rente+Winst
ArbeidsInkomenQuote(AIQ)=​NationaalInkomen​​ArbeidsInkomen​​
KapitaalInkomenQuote(KIQ)=​NationaalInkomen​​KapitaalInkomen​​=1−AIQ

Slide 31 - Tekstslide

Opdracht 1.11 (pagina 11)
Het netto nationaal inkomen van een land is als volgt opgebouwd (in miljarden euro's): loon 380, winst zelfstandigen 64, pacht 10, rente 60, huur 40 en dividend 46.
a. Bereken de ArbeidsInkomendsQuote (AIQ).
  • AIQ = ((loon + winst zelfstandigen) / nationaal inkomen) x 100%
  • AIQ = ((380 + 64) / 600) x 100% = 74%
b. Stel de formule op voor de KapitaalInkomensQuote (KIQ).
  • KIQ = ((pacht + rente + huur + dividend) / nationaal inkomen) x 100%
  • KIQ = ((10 + 60 + 40 + 46) / 600) x 100% = 26%
Je zou ook kunnen beweren dat de kapitaalsinkomensquote in deze economie 36,7% bedraagt.
c. Onderbouw deze bewering met een berekening.
  • Door de winst zelfstandigen toch als kapitaalinkomen te zien.
  • KIQ = ((64 + 10 + 60 + 40 + 46) / 600) x 100% = 36,7%
d. Volgens welke methode is het nationaal inkomen in deze opgave bepaald?
  • Volgens de subjectieve methode (via de primaire inkomens)
timer
3:00

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 1.17 (pagina 14/15) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 1.11 t/m 1.16

Slide 34 - Tekstslide

Opdracht 1.17 (pagina 14/15)
a. Is er sprake van nivellering of denivellering in 2020 t.a.v. 2010?
  • de 80/20 ratio is van 5,1 gedaald naar (38,2 / 9,6) = 3,98, dus nivellering
b. Toon met een berekening aan dat in 2020 het totale inkomen € 351 miljard is. 
  • de laagste inkomensgroep verdient totaal 20% x 11,25 miljoen x € 14.976 = € 33,696 miljard
  • dat is 9,6% van het totale inkomen, het totale inkomen = € 33.696 / 9,6 x 100 = € 351 miljard
c. Toon aan dat het inkomensaandeel van groep 5 in arbeidsinkomen kleiner is.
  • arbeidsinkomen totaal = 71,85% x € 351 miljard = € 252,1935 miljard
  • arbeidsinkomen groep 5 = € 14.976 / 9,6 x 38,2 x 60% x 2.250.000 = € 80,4492 miljard
  • aandeel = 80,4492 / 252,1935 = x 100% = 31,9% (= kleiner dan 38,2%)
d. Geef een verklaring dat de hoogste inkomens een groot aandeel overige inkomens heeft.
  • de hoogste inkomens beschikken over relatief veel vermogen (dus kapitaalinkomen)

Slide 35 - Tekstslide