PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Examentraining
De grondwet van 1848: zo pak je examenvragen aan
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Examentraining
De grondwet van 1848: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jan Zweerts / Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over de grondwet van 1848 herkennen en beantwoorden met de juiste begrippen.
Deze slide heeft geen instructies
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat voor vraag is het? Beschrijven, verklaren of een mening geven?
2. Kijk: wat staat er in de situatie of de bron? Wie doet of zegt wat?
3. Zoek: welk begrip hoort erbij? Bijvoorbeeld aanleiding, ministeriële verantwoordelijkheid of censuskiesrecht.
4. Schrijf: noem het begrip en leg kort uit waarom het past.
Deze slide heeft geen instructies
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Vraagtype 1: soort vraag herkennen
Een beschrijvende vraag vraagt: wat of hoe was het?
Een verklarende vraag vraagt: waarom gebeurde het?
Een waarderende vraag vraagt om jouw mening, met een reden.
Voorbeeld: 'Hoe veranderde de macht van de koning?' is beschrijvend.
Syllabus GS/K/3: beschrijvende, verklarende en waarderende vragen onderscheiden. Let op het vraagwoord: hoe of wat is meestal beschrijvend, waarom is verklarend, vind je is waarderend. Veelgemaakte fout: een waarom-vraag beantwoorden met een opsomming van feiten.
Welk soort vraag is: 'Waarom ging koning Willem II overstag in 1848?'
Een beschrijvende vraag
Een verklarende vraag
Een waarderende vraag
Een vergelijkende vraag
Waarom vraagt om een oorzaak, dus verklarend. Verwachte fout: beschrijvend, omdat het over een gebeurtenis gaat.
Welk soort vraag is: 'Vind je het eerlijk dat vrouwen niet mochten stemmen?'
Een beschrijvende vraag
Een verklarende vraag
Een waarderende vraag
Een vergelijkende vraag
Vind je vraagt om een mening. Verwachte fout: verklarend, omdat het over het censuskiesrecht gaat.
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Vraagtype 2: aanleiding en oorzaken
De aanleiding is de meest directe oorzaak, vlak voor de gebeurtenis.
Andere oorzaken liggen verder terug en zijn van een andere aard, bijvoorbeeld politiek.
In 1848: de revoluties waren de aanleiding, de wens van de liberalen een oorzaak.
Syllabus GS/K/3: de aanleiding herkennen als meest directe oorzaak en oorzaken van verschillende aard herkennen. Zoek in de bron het woord 'toen' of 'daarna': dat wijst vaak op de aanleiding. Veelgemaakte fout: de langere oorzaak als aanleiding aanwijzen.
Een leerling schreef: 'Liberalen wilden al lang minder macht voor de koning. Toen braken in Europa revoluties uit en gaf Willem II toe.' Wat is de aanleiding?
De revoluties in Europa
De wens van de liberalen
De macht van de koning
De grondwet zelf
De revoluties kwamen vlak voor het besluit, dus aanleiding. Verwachte fout: de wens van de liberalen, omdat die ook een oorzaak is, maar een langere.
Noem een politieke oorzaak van de herziening die niet de aanleiding was.
Goed: de liberalen wilden minder macht voor de koning en meer voor het parlement. Verwachte fout: de revoluties noemen, want dat is de aanleiding.
De plenaire zaal van de Tweede Kamer in Den Haag, 2018
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Vraagtype 3: veranderingen in de macht herkennen
Bij deze vraag staat een situatie. Jij zoekt welke verandering van 1848 erbij hoort.
Recht van amendement: de Kamer verandert een voorstel.
Ministeriële verantwoordelijkheid: de minister legt uit aan de Kamer.
Recht van enquête: de Kamer onderzoekt zelf iets.
Syllabus: veranderingen in de bevoegdheden van het parlement in 1848 herkennen (KB en GL/TL: ook beschrijven). Bij beschrijven moet je kort uitleggen wat het recht inhoudt. Veelgemaakte fout: amendement en enquête door elkaar halen. Image credit: Husky / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Een Kamerlid wil in een wetsvoorstel de datum veranderen. Welk recht gebruikt zij?
Het recht van enquête
Het recht van amendement
De ministeriële verantwoordelijkheid
Het censuskiesrecht
Een voorstel wijzigen is amenderen. Verwachte fout: enquête, omdat leerlingen de twee nieuwe rechten door elkaar halen.
Een minister maakt een grote fout. Aan wie moet hij verantwoording afleggen?
Alleen aan de koning
Aan de Provinciale Staten
Aan de rechter
Aan de Tweede Kamer
Door de ministeriële verantwoordelijkheid is de Tweede Kamer de baas over de minister. Verwachte fout: alleen aan de koning, zoals vóór 1848.
Stukken van de grondwetswijziging van 1848 met de naam van koning Willem II
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Vraagtype 4: een bron beoordelen
Een bron is bruikbaar als hij iets zegt over jouw vraag.
Let op de standplaats: de maker heeft een eigen standpunt en schrijft daarvan uit.
(KB, GL/TL) Beoordeel ook of de bron betrouwbaar is en of hij voor veel mensen geldt.
Syllabus GS/K/3: bronnen selecteren en beoordelen op bruikbaarheid (KB, GL/TL ook betrouwbaarheid en representativiteit) en rekening houden met standplaatsgebondenheid. Veelgemaakte fout: een bron betrouwbaar noemen omdat hij oud is. Image credit: Jan Zweerts / Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
Je wilt weten wat de liberalen in 1848 wilden. Welke bron is het best bruikbaar?
Een toespraak van een liberaal Kamerlid uit 1848
Een toeristenfolder over het Binnenhof
Een tekening van de vesting Luxemburg
Een lijst van alle ministers van nu
De toespraak zegt direct iets over de wensen van liberalen. Verwachte fout: de folder, omdat het Binnenhof er wel bij hoort.
Een krant van tegenstanders van de liberalen schrijft over Thorbecke. Waar let je op?
Goed: de schrijver heeft een eigen standpunt (standplaatsgebondenheid) en zal Thorbecke niet neutraal beschrijven. Verwachte fout: zeggen dat de bron onbruikbaar is, terwijl hij juist iets zegt over hoe tegenstanders dachten.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Soort vraag herkennen
Aanleiding en oorzaken
Veranderingen in de macht
Een bron beoordelen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen en laat een leerling de aanpak in eigen woorden uitleggen.
PERIODE 1848-1914 · GRONDWET
Tips voor op het examen
Bij 'waarom' schrijf je een reden. Bij 'vind je' schrijf je een mening met een argument.
De aanleiding komt vlak voor de gebeurtenis, andere oorzaken liggen verder terug.
Koppel elke verandering aan een situatie: amendement is wijzigen, enquête is onderzoeken, ministers leggen uit aan de Kamer.
Vraag bij een bron altijd: wie maakte dit en vanuit welk standpunt?
Deze slide heeft geen instructies