3.12 Hoofdzinnen A1

Wat is een goede zin? 
      De man     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
???
het brood
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo gLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wat is een goede zin? 
      De man     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
???
het brood

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een goede zin? 
      De man     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  

Slide 2 - Tekstslide

pakt
Wat is een goede zin? 
      De man     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  

Slide 3 - Tekstslide

pakt
Wat is een goede zin? 
      De man     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
het brood

Slide 4 - Tekstslide

Wat is een goede zin? 
??? 
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
pakt
het brood

Slide 5 - Tekstslide

???
Wat is een goede zin? 
      De man     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
het brood

Slide 6 - Tekstslide

???
Wat is een goede zin? 
      De mannen     
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
het brood

Slide 7 - Tekstslide

Wat is een goede zin? 
Ik
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  
een voetbalveld

Waar?
  
wil
op het AZC.

Slide 8 - Tekstslide

Wat is een goede zin? 
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  

Waar?
  
wil
op het schoolplein
een voetbalveld

Slide 9 - Tekstslide

Wat is een goede zin? 
Ik
1.
Wie?
  
2. 
werkwoord 
3.
Wat?  

Waar?
  
wil
op het AZC.
???

Slide 10 - Tekstslide

vandaag- ik - taart- bak -een

Slide 11 - Open vraag

op vakantie - morgen - Ik - ga

Slide 12 - Open vraag

een paar dagen - Ik - ga - naar Amsterdam

Slide 13 - Open vraag

naar de bioscoop - wij - gaan - volgende week vrijdag.

Slide 14 - Open vraag

Staan de woorden in deze zin op de goede plaats?

Ze naar Assen gaat.
A
ja
B
nee

Slide 15 - Quizvraag

Waar staan de woorden op de goede plaats?
A
Ik ga morgen naar school.
B
Ik morgen ga naar school.
C
Morgen naar school ik ga
D
Ik ga naar school morgen

Slide 16 - Quizvraag

Waar staan de woorden op de goede plaats?
A
Wij hebben een auto nieuwe gekocht.
B
Wij hebben gekocht een auto nieuwe.
C
Gekocht hebben wij een nieuwe auto.
D
Wij hebben een nieuwe auto gekocht.

Slide 17 - Quizvraag