5 Goede start: verleden tijd van zwakke werkwoorden

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsrijMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Introductie

In deze les herhalen de leerlingen zaken die zij geleerd hebben op de basisschool. Dit om de voorkennis te activeren. - alinea in een tekst

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

START



- je weet dat de persoonsvorm een werkwoord is

- je weet dat de klank van zwakke werkwoorden in de v.t. hetzelfde blijft

- je weet dat zwakke werkwoorden in de v.t. de regel stam + te(n) of stam + de(n) kent



taalverzorging
spelling

Slide 2 - Tekstslide

pv in de verleden tijd

De persoonsvorm staat in de verleden tijd als iets al gebeurd is.

Slide 3 - Tekstslide

pv in de verleden tijd

Vorige week won ons team de hoofdprijs.

We fietsten gisteren naar de dierentuin.

Slide 4 - Tekstslide

zwakke werkwoorden
Bij zwakke werkwoorden blijft de klank 
(de klinker) in de verleden tijd hetzelfde.
bakken - bakten
koken - kookten
stomen - stoomden

Slide 5 - Tekstslide

zwakke werkwoorden
Zo schrijf je de persoonsvorm van zwakke werkwoorden in de verleden tijd:
enkelvoud: stam + -te of stam + -de 
(speelde, pakte)
meervoud: stam + -ten of stam + den 
(groeiden, werkten)

Slide 6 - Tekstslide


De witte strepen bij een zebra zorgen voor verkoeling.
Staat de zin in de tt of vt?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 7 - Quizvraag


De postbode bezorgde een pakje.
Staat de zin in de tt of vt?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 8 - Quizvraag


Max schroefde de dop van de fles.
Staat de zin in de tt of vt?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 9 - Quizvraag


Een zeester heeft geen hersenen.
Staat de zin in de tt of vt?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 10 - Quizvraag


De hond blaft al de hele dag.
Staat de zin in de tt of vt?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 11 - Quizvraag


Jens gooide het propje in de prullenbak.
Staat de zin in de tt of vt?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd

Slide 12 - Quizvraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
De meeste kiezers stemmen tegen het voorstel.

Slide 13 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
Het geluid schalt door de ruimte.

Slide 14 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
Marit vermaakt zich goed tijdens het uitje.

Slide 15 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
De supporters juichen de spelers toe.

Slide 16 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
Gijs typt snel een berichtje.

Slide 17 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
De vinger van Iris bloedt flink.

Slide 18 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
We hoeven niet meer te eten.

Slide 19 - Open vraag


Zet de zin in de verleden tijd. 
Noteer alleen de persoonsvorm
Hij vergist wel vaker.

Slide 20 - Open vraag

START



- je weet dat de persoonsvorm een werkwoord is

- je weet dat de klank van zwakke werkwoorden in de verleden tijd hetzelfde blijft

- je weet dat zwakke werkwoorden in de verleden tijd de regel stam + te(n) of stam + de(n) kent


taalverzorging
spelling

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide