Verbanden in een tekst (Nederlands vwo), les 2: Examentraining

Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Examentraining

Verbanden in een tekst: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met drie vraagtypen (verwijzingen, oorzaak-doel-voorwaarde, functie en impliciet verband), elk met een eigen abstracte leestekst en twee examenvragen, inclusief open vragen.

Onderdelen in deze les

Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Examentraining

Verbanden in een tekst: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Roberto Ferrari / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan bij een examenvraag het expliciete of impliciete verband tussen tekstdelen vaststellen en onderbouwen.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees de vraag: welk verband of welk tekstdeel wordt gevraagd? Streep het alineanummer aan.

  • 2. Ga naar de plek: lees de zin ervoor, de zin zelf en de zin erna, bij alinea's ook het begin van de volgende.

  • 3. Zoek het signaalwoord: staat er geen, bedenk er dan zelf een (want, maar, dus) en toets of het klopt.

  • 4. Controleer: zet je antwoord op de plek van het verwijswoord en let op ironie of nuance.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Vraagtype 1: verwijzingen

  • Dit vraagtype vraagt waar een verwijswoord of verwijzende woordgroep op slaat

  • Vaak vat het begrip ('Die gang van zaken') een hele gedachtegang samen

  • Antwoord in eigen woorden of met een citaat: lees de vraag goed

Bij 4F verwijst een begrip als "Dit mechanisme" vaak naar meerdere zinnen. Leerlingen kiezen vaak alleen de laatste zin.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tekst 4: Fundamenteel onderzoek

(1) Wie bij wetenschap denkt aan toepassingen, vergeet dat veel doorbraken begonnen als nieuwsgierigheid zonder bestemming. Onderzoekers die zonder concreet doel een vraag najagen, leggen vaak de basis voor technieken waar later niemand meer zonder kan. Die gang van zaken laat zich slecht plannen en juist dat maakt haar kwetsbaar.

(2) Subsidiegevers houden daar steeds minder rekening mee. Zij willen vooraf weten wat een project oplevert en onderzoekers passen hun aanvragen daarop aan: ze beloven toepassingen die ze zelf nauwelijks geloven. Dit mechanisme verleidt tot opschepperij en beloont vooral wie zijn plannen overtuigend kan inkleden.

(3) Het resultaat is een stelsel dat zekerheid vraagt van een activiteit die van onzekerheid leeft. Wie dat een gezonde vorm van verantwoording noemt, moet uitleggen waarom de grootste vernieuwingen zich zo zelden hebben laten voorspellen.

Eigen tekst voor Examenstof

Hoofdtekst bij vraagtype 1 (ongeveer 160 woorden, 4F). Verzonnen tekst.

Waar slaat "Die gang van zaken" op?

Die gang van zaken laat zich slecht plannen en juist dat maakt haar kwetsbaar.

A

Onderzoek met een concreet toepassingsdoel

B

De rol van subsidiegevers

C

Technieken waar niemand zonder kan

D

Dat nieuwsgierigheid techniek mogelijk maakt

De zin ervoor beschrijft het proces: onderzoekers volgen zonder doel een vraag en leggen de basis voor technieken. Dat proces is moeilijk te plannen. Verwachte fout: "technieken" kiezen omdat dat het laatste zelfstandig naamwoord is.

Waar slaat "Dit mechanisme" in alinea 2 op?

Modelantwoord: op het feit dat onderzoekers, omdat subsidiegevers vooraf resultaat willen zien, hun aanvragen aanpassen en toepassingen beloven die ze zelf nauwelijks geloven (1 punt voor het aanpassen of beloven van toepassingen, 1 punt voor de reden dat subsidiegevers vooraf resultaat willen). Verwachte fout: alleen "subsidiegevers" noemen.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Vraagtype 2: oorzaak, doel, voorwaarde

  • Dit vraagtype vraagt naar oorzaak, gevolg, doel, middel of voorwaarde

  • Let op signaalwoorden, maar ook op verbanden zonder signaalwoord

  • Open vragen: antwoord kort en met woorden uit de tekst

Op 4F combineren zinnen vaak meerdere verbanden: een doel binnen een oorzaak-gevolgketen. Laat leerlingen elk verband apart benoemen.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tekst 5: Een abonnement op alles

(1) Muziek, films, maaltijden, fitness: bijna alles is tegenwoordig te krijgen via een abonnement. Voor bedrijven is dat aantrekkelijk, want een vaste maandelijkse inkomst maakt hun omzet voorspelbaar. Om klanten vast te houden, maken ze opzeggen bovendien bewust omslachtig.

(2) Consumenten merken die omslachtigheid pas als ze willen stoppen. Doordat ze hun abonnementen zelden nalopen, betalen ze vaak voor diensten die ze nauwelijks gebruiken. Dat is geen toeval, maar een berekening: het bedrijf rekent erop dat gemak het wint van aandacht.

(3) Toch hoeft niemand machteloos te zijn. Zodra je abonnementen in één overzicht zet, zie je meteen wat je werkelijk gebruikt. Mits je daar elk kwartaal tijd voor maakt, houd je grip op je uitgaven.

Eigen tekst voor Examenstof

Hoofdtekst bij vraagtype 2 (ongeveer 140 woorden, 4F). Verzonnen tekst.

Wat is hier het middel?

Om klanten vast te houden, maken ze opzeggen bovendien bewust omslachtig.

A

Opzeggen bewust omslachtig maken

B

Klanten vast willen houden

C

Hun omzet voorspelbaar maken

D

Een maandelijkse inkomst vragen

Het doel staat na "Om": klanten vasthouden. Het middel is wat de bedrijven doen: opzeggen omslachtig maken. Verwachte fout: het doel als middel kiezen of de eerdere zin met de voorspelbare omzet erbij halen.

Waarom betalen mensen voor ongebruikte diensten?

Modelantwoord: dat consumenten hun abonnementen zelden nalopen (1 punt). Verwachte fout: de omslachtigheid van opzeggen noemen, dat is de reden dat ze niet snel stoppen en komt uit alinea 1.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Vraagtype 3: functie en impliciet

  • Dit vraagtype vraagt naar de functie van een alinea of het verband tussen zinnen

  • Bij een impliciet verband zet je zelf een signaalwoord ertussen

  • Let op ironie: de letterlijke lezing is dan niet de bedoelde

Alinea 1 bevat milde ironie ("een prachtige gedachte, zolang ..."): de schrijver bedoelt niet dat de gedachte onvoorwaardelijk prachtig is.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tekst 6: Jezelf zijn op school

(1) Op elke school hangt wel een poster met de tekst dat je jezelf moet zijn. Het is een prachtige gedachte, zolang jezelf zijn niet leidt tot gedrag dat de rector storend vindt. Scholen prijzen individualiteit graag, mits die zich netjes binnen de lijnen van het rooster voltrekt.

(2) Dat is geen bewijs van hypocrisie, maar van een dilemma. Een school die iedereen vrij laat, kan niet functioneren; een school die niets toestaat, kweekt alleen volgzaamheid. De kunst is om grenzen te trekken die leerlingen kunnen begrijpen.

(3) Leerlingen merken het verschil snel. Een regel die wordt uitgelegd, wekt zelden verzet. Een regel die slechts wordt opgelegd, lokt de vraag uit wie er eigenlijk baat bij heeft. Dat bepaalt of een school als eerlijk geldt.

Eigen tekst voor Examenstof

Hoofdtekst bij vraagtype 3 (ongeveer 140 woorden, 4F, met ironie in alinea 1). Verzonnen tekst.

Welke functie heeft alinea 2 ten opzichte van alinea 1?

Dat is geen bewijs van hypocrisie, maar van een dilemma.

A

Ze herhaalt de kritiek in andere woorden

B

Ze geeft een voorbeeld van de kritiek

C

Ze nuanceert de kritiek uit alinea 1

D

Ze noemt de oorzaak van de kritiek

Alinea 1 suggereert hypocrisie; alinea 2 zegt "geen bewijs van hypocrisie, maar van een dilemma". Dat nuanceert. Verwachte fout: herhalen, omdat beide alinea's over scholen en regels gaan.

Welk impliciet verband zit in de laatste twee zinnen?

Een regel die wordt uitgelegd, wekt zelden verzet. Een regel die slechts wordt opgelegd, lokt de vraag uit wie er eigenlijk baat bij heeft.

A

opsomming

B

oorzaak-gevolg

C

tegenstelling

D

doel-middel

Een uitgelegde regel wekt zelden verzet, een opgelegde regel lokt de vraag naar baat uit: dat staat tegenover elkaar zonder "maar". Verwachte fout: oorzaak-gevolg, omdat beide zinnen een reactie van leerlingen beschrijven.

Welk verband vind jij het lastigst?

1

Verwijzingen naar een hele gedachtegang

2

Oorzaak, doel en voorwaarde

3

Functie van een alinea

4

Impliciete verbanden

Bespreek na de uitslag eerst het lastigste verband met een korte eigen voorbeeldzin.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · VERBANDEN

Tips voor op het examen

  • Lees eerst de vraag, dan pas de alinea waar de vraag naar verwijst

  • Een verwijswoord kan een hele gedachtegang samenvatten: lees ook de zinnen eromheen

  • Staat er geen signaalwoord? Bedenk er zelf een en toets of de zinnen kloppen

  • Bij een alinea-vraag: wat doet de alinea voor het betoog, niet alleen waar gaat ze over

  • Let op ironie en nuance: lees niet alleen letterlijk

Deze slide heeft geen instructies