Lijndiagram

Lijndiagram
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMiddelbare schoolvmbo lwoo, kLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Lijndiagram

Slide 1 - Tekstslide

Planning
Terugblik op de vorige les
Doel van de les
Uitleg lijndiagrammen
Opdrachten maken
Afsluiting

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik vorige les
Staafdiagrammen




Er zijn in Nederland per stad 5 Griekse restaurants. Hoeveel Griekse restaurants zijn er totaal?

Slide 3 - Tekstslide

Doel van de les
Aan het eind van de les 
- kan ik een lijndiagram aflezen en rekenen met deze antwoorden
- ken ik de begrippen: Stijgend, dalend, constant, maximum en minimum

Slide 4 - Tekstslide

Lijndiagram 
  • In een lijndiagram worden hoeveelheden weergegeven met een lijn. 
  • De lijn geeft aan hoe de hoeveelheden veranderen.

Slide 5 - Tekstslide

Lijndiagram
In dit lijndiagram kun je aflezen hoeveel klanten er op een dag zijn gekomen.

De lijn in dit diagram noem je een grafieklijn.

Slide 6 - Tekstslide

Belangrijke woorden voor het lijndiagram-1

 

- het assenstelsel   - alle lijnen van de grafiek
- de horizontale as - de lijn van links naar rechts
                              met de gegevens
- de verticale as    - de lijn van beneden naar boven
                              met de gegevens
- het snijpunt: waar de grafiek twee gegevens combineert (bijv. om 12:00 uur is het 20 graden C); 
- De tijd staat meestal op de horizontale as.

Slide 7 - Tekstslide

Wat staat er op de horizontale as?

Slide 8 - Open vraag

Wat is het temperatuur om 2 uur 's nachts?

Slide 9 - Tekstslide

Vanaf hoe laat komt de temperatuur boven de 14 graden?

Slide 10 - Tekstslide

Belangrijke woorden voor het lijndiagram-2

 

Een grafiek kan een op- en neergaande lijn vertonen,

maar ook een lijn die (meestal) één kant op gaat.
- de stijgende lijn
- de dalende lijn
- de constante lijn

Slide 11 - Tekstslide

Zet de begrippen op de juiste plaats.
maximum
minimum
constant
dalen
stijgen

Slide 12 - Sleepvraag

Vanaf welke tot welke dag stijgt het aantal klanten?

Slide 13 - Open vraag

Hoeveel personenwagens waren er in 1990 meer dan in 1970?

Slide 14 - Open vraag

Aan de slag!
Hoe?
Zelfstandig
Ik loop rond voor vragen
Blz.
Werkblad:
Oranje: Ik wil graag nog even oefenen
Groen: Het gaat goed. Ik wil verder.
Opdr.
Maak alle opdrachten bij de kleur, die jij hebt gekozen.
Klaar?
Iets voor jezelf doen op je laptop, waarbij je niemand anders stoort. 


timer
6:00

Slide 15 - Tekstslide

Hoeveel klanten zijn er op zaterdag meer gekomen dan op vrijdag?

Slide 16 - Open vraag