les pronoms y, en

1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

De persoonlijk vnw EN en Y

Slide 2 - Tekstslide

Ouvrez votre livre à la page 86!

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

EN
- hoeveelheid
- zin of zinsdeel begint met het voorzetsel "de"
- zin of zinsdeel begint met "un" of "une"
Y
- zin of zinsdeel begint met een ander voorzetsel dan "de"



Slide 5 - Tekstslide

Welke voorzetsels ken je in het Frans?

Slide 6 - Woordweb

VOORZETSELS

Slide 7 - Tekstslide

voorzetsels

Slide 8 - Tekstslide

EN

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

EN

Slide 11 - Tekstslide

Y

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Y

Slide 15 - Tekstslide

Y

Slide 16 - Tekstslide

Plaats in de zin
Net als bij de voornaamwoorden die een lijdend of meewerkend voorwerp vervangen is ook hier de plaats in de zin:

Voor de infinitief
Geen infinitief, dan voor de persoonsvorm

Slide 17 - Tekstslide

Mais, faites attention!
On ne peut pas utiliser y ou en pour des personnes!
Si on veut remplacer de/à suivi par une personne on utilise un pronom tonique

moi
toi
lui/elle

nous
vous
eux/elles

exemple: Tu penses à ton copain = tu penses à lui    parce que ton copain est une personne
                    Il parle de sa tante.= il parle d'elle.               parce que ta tante est une personne

Slide 18 - Tekstslide

Vous avez remarqué qu'il y a parfois 2 pronoms dans la phrase.
regardez l'image: c'est l'ordre des pronoms dans la phrase....




(ne)                                                                                                             (pas)                                                                           




Slide 19 - Tekstslide

Il parle "de ses devoirs". Hij praat over zijn huiswerk. Hij praat erover.
Vervang je dit door y of en?
A
en
B
y

Slide 20 - Quizvraag

Nous avons envie d'une salade.
Wij hebben trek in een salade.
Wij hebben er trek in.

Slide 21 - Open vraag

Quelle réponse est correcte?
Tu as des soeurs? Oui, j'ai 3 soeurs.
Heb jij zussen? Ja, ik heb (er) 3 van.
A
Oui, j'en ai 3
B
Oui, j'y ai 3

Slide 22 - Quizvraag

Il a parlé d'un film.
Hij heeft over een film gepraat.
Hij heeft erover gepraat.

Slide 23 - Open vraag

Vervang je in de volgende zin door y of en?
Je vais "à Enschede"?
A
y
B
en

Slide 24 - Quizvraag

Remplace le complément par en ou y:
Tu vas souvent à Paris.
Jij gaat vaak naar Parijs. Jij gaat er vaak heen.
A
Tu en vas souvent.
B
Tu vas y souvent
C
Tu y vas souvent.
D
Tu vas y souvent

Slide 25 - Quizvraag

Remplace le complement par en ou y:
Je veux manger des bonbons.
Ik wil snoepjes eten. Ik wil ervan eten.
A
j'en veux manger
B
je veux en manger
C
j'y veux manger
D
je veux y manger

Slide 26 - Quizvraag

Je vais à Amsterdam.
Ik ga naar Amsterdam.
Ik ga er heen.
A
J'y vais.
B
Je vais y.

Slide 27 - Quizvraag

Tu habites à Rijnsburg?
Woon jij in Rijnsburg?
Woon jij er?

Slide 28 - Open vraag

Elle a gagné dix euros.
Zij heeft 10 euro verdiend.
Zij heeft er 10 verdiend.

Slide 29 - Open vraag

        Bonjour 
   tout le monde

Slide 30 - Tekstslide

Elle répond au message.
Zij antwoord op het bericht.
Zij antwoordt erop.

Slide 31 - Open vraag

remplace le complément par en ou y:
Je vais acheter des croissants.

Slide 32 - Open vraag

Remplace le complément par en ou y:
Mes frères vont souvent à la bibliothèque.

Slide 33 - Open vraag

Remplace le complément par en ou y:
Nous ne voulons pas aller à Madrid cette année.

Slide 34 - Open vraag

Tu penses encore souvent à ton copain?

Slide 35 - Open vraag

Vous avez tout compris?


Alors faites les exercices dans ton cahier d'exercices

Slide 36 - Tekstslide

Oefen nu zelf met de volgende zinnen:


1.    Elle voudrait acheter quatre nouveaux jeans.  
2.    Ma sœur parle souvent de Paris.
3.    Elle est fier de cette ville.
4.    Tu as besoin d’un diplôme!
5.    Je voudrais bien aller au Canada!
6.    Je voudrais bien aller aussi en France!
7.    Ils ne croient plus au Père Noël depuis longtemps.

Slide 37 - Tekstslide