Vermogen

Vermogen
  • Ik kan uitleggen wat vermogen is en hier de eenheid bij noemen. 
  • Ik kan rekenen met de formule P=U*I 
  • Ik kan rekenen met de formule E=P*t
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & NatuurMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Vermogen
  • Ik kan uitleggen wat vermogen is en hier de eenheid bij noemen. 
  • Ik kan rekenen met de formule P=U*I 
  • Ik kan rekenen met de formule E=P*t

Slide 1 - Tekstslide

Vermogen
Wat is vermogen
Vermogen is de hoeveelheid energie er per seconde word gebruikt. Het is dus de hoeveelheid spanning die de stroomdeeltjes meenemen naar het apparaat. 

Grootheid en eenheid
De grootheid vermogen korten we af met de letter P, deze komt van het engelse woord power. De eenehid die we gebruiken bij vermogen is Watt, vernoemd naar meneer Watt, de "ontdekker"van vermogen. De eenheid Watt korten we af met de letter W.

Slide 2 - Tekstslide

Energie
Wat is Energie
Energie is super belangerijk in de wereld. Alles wat beweegt of warm word of apparaten die aan gaan doen dat met energie, het is een bouwsteen van de natuurkunde.

Grootheid en eenheid
De grootheid energie korten we af met de letter E. De eenheid die we gebruiken bij energie is Joule, deit korten we af met de letter J. 

Slide 3 - Tekstslide

Het symbool voor de grootheid van vermogen is...
A
Power
B
P
C
Watt
D
W

Slide 4 - Quizvraag

De eenheid van vermogen is...
A
Power
B
P
C
Watt
D
W

Slide 5 - Quizvraag

formule van vermogen is
A
vermogen = spanning / stroomsterkte
B
vermogen = spanning x stroomsterkte
C
vermogen = spanning + stroomsterkte
D
vermogen = spanning - stroomsterkte

Slide 6 - Quizvraag

Vermogen
Spanning
P
U
Volt
Ampère
I
Watt

Slide 7 - Sleepvraag

Zet in de juiste volgorde van laag vermogen naar hoog vermogen
minste vermogen
meeste vermogen

Slide 8 - Sleepvraag

Je ziet een fietslamp, een horloge en een oven. Plaats de apparaten in het juiste vak.
minste vermogen
grootste vermogen
gemiddeld vermogen

Slide 9 - Sleepvraag

Plaats letters bij de  betekenis
symbool vermogen
symbool energie
eenheid energie
eenheid vermogen
W
J
E
P

Slide 10 - Sleepvraag

Een ander woord voor vermogen is 'Power'. Het symbool van vermogen is ........ en de eenheid van vermogen is......... .

A
P ; W
B
U ; V
C
I ; A
D
P ; mA

Slide 11 - Quizvraag

De formule voor vermogen is
A
vermogen = spanning / stroomsterkte
B
vermogen = spanning x stroomsterkte
C
vermogen = spanning + stroomsterkte
D
vermogen = spanning - stroomsterkte

Slide 12 - Quizvraag

Energie
Vermogen
Stroom
Spanning
E
I
U
P

Slide 13 - Sleepvraag

Energie in joule berekenen, dan gebruik ik:
Energie in kWh berekenen, dan gebruik ik:
tijd in uur
tijd in seconde
Vermogen in W
Vermogen in kW

Slide 14 - Sleepvraag

Je ziet een fietslamp, een horloge en een oven. Plaaats de apparaten in het juiste vak.
minste vermogen
grootste vermogen
gemiddeld vermogen

Slide 15 - Sleepvraag

Het symbool van vermogen is ........ en de eenheid van vermogen is ......... .

A
P en W
B
U en V
C
I en A
D
P en mA

Slide 16 - Quizvraag

De grootheid die bij Joule hoort is...
A
Joule
B
J
C
Energie
D
E

Slide 17 - Quizvraag

Grootheid
Symbool grootheid
Eenheid
Symbool eenheid
kilowatt
kW
kilowattuur
kWh
Spanning
Weerstand
Ohm
Ω
U
R
P
V
E
Energie
Vermogen

Slide 18 - Sleepvraag

Energie
Vermogen
Joule
Kilowattuur
Watt
Kilowatt

Slide 19 - Sleepvraag

minste vermogen
grootste vermogen
gemiddeld vermogen

Slide 20 - Sleepvraag

Rekenen bij M&N en nask
Hoe reken ik?
Wanneer je gaat rekenen bij mens en natuur en later nask moet je een stappen schema volgen. 
Gegevens, Gevraagd, Formule, Bereking, Antwoord. 

Gegevens
Hier schijf je op wat je al weet. Noteer dit als volgt:
U = 230 V
I = 0,5 A
Gevraagd
Hier schijf je op wat je gaat berekenen. 
P = ? W
Formule
Hier schrijf je de formule op waarmee jij gaat rekenen. 
Als je een formule moet aanpassen schrijf je hier ook de aangepaste versie. 
Bijvoorbeeld: P=U*I
Berekening
Hier mag je eindelijk gaan rekenen.
P= 230*0,5=115 W

Antwoord
Hier schrijf jij je antwoord op met de juiste eenheid.
LET OP! je moet opschrijven wat je hebt berekend en met de juiste eenheid. 
Bijvoorbeeld: het vermogen is 115 Watt.

Slide 21 - Tekstslide

Vermogen berekenen. 
P=U*I
Om het vermogen te berekenen heb je de spanning en de stroomsterkte nodig. 
je gebruikt de formule P=U*I.
Je vult vervolgens de spanning in bij U, en de stroom in bij I. 
P=E/t
Je kunt het vermogen ook berekenen met de formule E=P/t.
De t staat voor de tijd, die geven we in de natuurkunde aan is seconde. 
Bijvoorbeeld: E= 100 Joule, t= 5 seconde.
P=E/t                  P= 100/5 = 20 W
Het vermogen is 20 Watt.

Slide 22 - Tekstslide

Vermogen =
X
......................
........................
Tijd
Windingen
Stroomsterkte
Spanning

Slide 23 - Sleepvraag

Vermogen =
X
......................
........................
Tijd
Windingen
Stroomsterkte
Spanning

Slide 24 - Sleepvraag

Vermogen =
X
......................
........................
Tijd
Windingen
Stroomsterkte
Spanning

Slide 25 - Sleepvraag

Een waterkoker in het stopcontact heeft een spanning van 230 Volt, en een stroomsterkte van 8,5 Ampère. Bereken het vermogen van de waterkoker met het 5 stappen plan.

Slide 26 - Open vraag

Een koelkast in het stopcontact heeft een spanning van 230 Volt, en een stroomsterkte van 4,1 Ampère. Bereken het vermogen van de waterkoker met het 5 stappen plan.

Slide 27 - Open vraag

Wat is het vermogen van dit apparaat?

Slide 28 - Open vraag

Een lamp staat voor een half uur aan, het energie verbruik is 11000 Joule.
Bereken hoeveel vermogen dit lampje is.

Slide 29 - Open vraag

Wat is het vermogen van één lamp?

Slide 30 - Open vraag

De oven staat voor een 45 minuten aan, het energie verbruik is 470000 Joule.
Bereken hoeveel vermogen dit lampje is.

Slide 31 - Open vraag

Als een elektromotor (48 V) op vol vermogen werkt, loopt er een stroom van 128 A.
Bereken het vermogen van de elektromotor.

Slide 32 - Open vraag

Wat is het vermogen?

Slide 33 - Open vraag

Hoe ging de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 34 - Poll

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 35 - Open vraag

Waar wil je nog extra aandacht aan besteden?

Slide 36 - Open vraag