Retaillogistiek basis; de Handel

Handel
1 / 31
volgende
Slide 1: Woordweb
RetailMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Handel

Slide 1 - Woordweb

Uit de praktijk
Lucas is verkoper in een kaaswinkel. Hij geeft antwoord op vragen van klanten en probeert ervoor te zorgen dat ze tevreden de winkel verlaten. 

Slide 2 - Tekstslide

De kaaswinkel heeft een smal en diep assortiment vergeleken met de kaasafdeling van een supermarkt. Wat houdt dit in?

Slide 3 - Open vraag

Voordat een klant een stuk kaas kan kopen bij de kaaswinkel heeft de kaas al een hele reis afgelegd. Hou zou deze weg er uit hebben gezien denk je?

Slide 4 - Open vraag

Tot welke branche behoort een kaaswinkel?

Slide 5 - Open vraag

Tot welke winkelvorm behoort een kaaswinkel?
A
Supermarkt
B
Speciaalzaak
C
Warenhuis
D
Discounter

Slide 6 - Quizvraag

Opheffingsuitverkoop rechtstreeks uit de fabriek, huis-aan-huisverkoop en verkoop via party's noemen we:
A
Ambulante handel
B
Directe verkoop
C
Webwinkel
D
Postorderbedrijf of teleshopping

Slide 7 - Quizvraag

Is er sprake van cross-channel bij deze kaaswinkel?

Slide 8 - Open vraag

1. De bedrijfskolom

Het kopen en weer verkopen van producten noem je handel
  De weg die goederen afleggen voor ze worden gekocht door consumenten heet een bedrijfskolom
Elke schakel in de bedrijfskolom noemen we een bedrijfstak
De weg die producten door de bedrijfskolom afleggen noemen we de goederenstroom


Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

2. Functies in de retail

Slide 11 - Tekstslide

3. Verschillen tussen winkels
Winkels kun je indelen op :
  • Grootte
  • Assortiment
  • Verkoopsysteem
  • Distributiesysteem

Slide 12 - Tekstslide

Wat is de juiste volgorde voor het verkoopklaar maken van artikelen?
Microbedrijf
Grootbedrijf
Kleinbedrijf
Middenbedrijf
Minder dan 10 werknemers
Meer dan 250 werknemers

10-49 werknemers

50-250 werknemers

Slide 13 - Sleepvraag

Assortiment
Breed assortiment
  --->      
Veel assortiment groepen
Smal assortiment
  --->      
Weinig assortiment groepen
Diep assortiment
  --->      
Veel artikelsoorten en -variëteiten
 Ondiep assortiment
  --->      
Weinig artikelsoorten en -variëteiten

Slide 14 - Tekstslide

Verkoopsysteem
Het verkoopsysteem is de manier waarop de klanten in de winkel worden geholpen

Slide 15 - Tekstslide

Distributiesysteem

Slide 16 - Tekstslide

4. Branches
Uitleg food met plaatjes non food met plaatsjes 

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Link

Branchevervaging en specialisatie 

Slide 19 - Tekstslide

5. Fysieke winkels
De winkelvorm zegt iets over het soort winkel en de manier waarop de zaken in de winkel geregeld zijn

Slide 20 - Tekstslide

Winkel waar artikelen uit allerlei branches worden verkocht
Winkel met lagere inrichting, sobere inrichting en weinig service
Winkel waar een grote verscheidenheid aan levensmiddelen wordt verkocht 
Winkel met een klein aantal assortimentsgroepen waarbij het assortiment diep en smal is
Een winkel in een winkel
Tijdelijke winkel
Warenhuis
Discounter
Supermarkt
Speciaalzaak
Pop-up store
Shop-in-shop

Slide 21 - Sleepvraag

6. Niet-winkelvormen
Naast fysieke winkels zijn er ook niet-winkelvomen. Bij niet-winkelvormen worden wel artikelen verkocht, maar niet via een fysieke winkel

Slide 22 - Tekstslide

Handel die zich verplaatst of rondreist noemen we:
A
Ambulante handel
B
Directe verkoop
C
Webwinkel
D
Postorderbedrijf of teleshopping

Slide 23 - Quizvraag

Een winkel die via internet producten verkoopt aan klanten heet een:
A
Ambulante handel
B
Directe verkoop
C
Webwinkel
D
Postorderbedrijf of teleshopping

Slide 24 - Quizvraag

Bedrijven waarbij de klant thuis via een catalogus, televisie of telefoon artikelen uitzoekt en bestelt heet:
A
Ambulante handel
B
Directe verkoop
C
Webwinkel
D
Postorderbedrijf of teleshopping

Slide 25 - Quizvraag

7. Samenhang tussen de fysieke en de niet-fysieke winkel

Slide 26 - Tekstslide

Multichannel
Zoals het begrip al doet vermoeden is multichannel het bedienen van consumenten via meerdere verkoopkanalen. De consument kan kiezen of hij een product online of in de winkel koopt. Online en de winkel zijn hierbij niet op elkaar afgestemd wat kan leiden tot bijvoorbeeld verschillende prijzen en afzonderlijke klantenservice.

Slide 27 - Tekstslide

Cross-channel
Crosschannel gaat een stapje verder dan multichannel. De consument wordt via meerdere kanalen met één uniforme manier bediend. De consument heeft ook de mogelijkheid om artikelen online te bestellen en deze in een fysieke winkel af te halen. Ook de klantenservice is hiervan op de hoogte. Kortom, alle verkoop kanalen lopen georganiseerd ‘door elkaar’.

Slide 28 - Tekstslide

Omnichannel
Bij omnichannel kan de consument kanalen door elkaar gebruiken terwijl de beleving, prijzen, en informatie overal hetzelfde zijn. Alle kanalen lopen volledig in elkaar over waardoor een volledig transparant proces ontstaat.

Een voorbeeld: de klant ziet online hoeveel voorraad er van een gewenst product beschikbaar is in een winkel naar keuze. Desgewenst kan hij of zij het artikel reserveren. Op het moment dat het artikel apart is gelegd ontvangt de klant hierover een berichtje. In de winkel word het product afgerekend en kan de bon per mail worden toegezonden.

Slide 29 - Tekstslide

8. Winkelcentra

Slide 30 - Tekstslide

9. Functies in de retail

Slide 31 - Tekstslide