les 2: 10 februari

les 2: 10 februari
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 29 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

les 2: 10 februari

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

inhoud les
  • kiezen stoornis voor eind presentatie
  • terugblik vorige les
  • DSM VI
  • geexternaliseerd of geïnternaliseerd probleemgedrag


Slide 2 - Tekstslide

wie kan mij even een terugblik geven?

uitzoeken stoornis voor eindpresentatie

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

terugblik
gedragsprobleem;  is in principe tijdelijk en wordt meestal veroorzaakt door factoren uit de omgeving

gedragsstoornis; Je spreekt van een stoornis als het probleem niet te verhelpen is en de persoon ermee moet leren omgaan. Een stoornis zit echt in het lichaam en is met de geboorte in de genen meegegeven.
Het probleem van de stoornis zit in de aanleg en rijping/ontwikkeling van het zenuwstelsel. Dit heeft invloed op de ontwikkelingsfuncties.

Slide 4 - Tekstslide

gedragsstoornis:
Wanneer een kind een stoornis heeft reageert het niet zo positief en nieuwsgierig op nieuwe prikkels en dingen als normale kinderen. Ze kunnen niet goed tegen verandering en kunnen zich niet goed inleven in anderen en in sociale situaties.
Door goede steun en opvoeding kun je ervoor zorgen dat de uitkomsten van een stoornis minder negatief zijn.

gedragsprobleem:
Een gedragsprobleem is niet iets wat je hebt meegekregen toen je geboren werd, maar heb je gekregen. Het staat meer buiten het kind, het is geen eigenschap. Er zijn problemen die ontstaan zijn in de omgeving van het kind (bijvoorbeeld (door omstandigheden) in het gezin of op school). Door die problemen verloopt nu de ontwikkeling minder goed. Het probleem is aan de situatie gebonden. Het gedragsprobleem wordt als het gevolg gezien van een oorzaak, bijvoorbeeld een trauma die het kind heeft ondergaan of een slechte opvoeding.
terugblik
grove motoriek gedrag
sociaal affectief gedrag
cognitief

Slide 5 - Tekstslide

motorisch, grove motoriek, klauteren en lopen en de fijne motoriek tekenen en schrijven
cognitief, geheugen, waarneming, kennis, inzicht en concentratie
sociaal-affectieve aspect, omgaan met anderen, en uiting van gevoelens en emoties


laat de posters nog even zien
terugblik
gedragsdeterminanten
determinant, is iets dat gedrag mede bepaalt of stuurt.

psychologische
organische ( hormoon en biochemische factoren) 
aanlegfactoren

Slide 6 - Tekstslide

psychologisch: opvoeding, sociale omgeving
maatschappelijke factoren: milieu en leefomstandigheden, denk aan huisvesting, hygiëne,
culturele factoren: waarden en normen van een cultuur
bijv. Nederlanders meer op de tijd, altijd gehaast. Surinamers rustig rustig, niet op tijd


organische:
 Voorbeeld biochemische factor:
en kind met ADHD heeft vaak een andere werking van stofjes in de hersenen (zoals dopamine). Daardoor kan het druk, impulsief of snel afgeleid zijn.
Een kind met laag bloedsuiker kan prikkelbaar of boos worden in de klas.
Sommige kinderen reageren extra heftig omdat hun hersenen prikkels anders verwerken (bijv. bij autisme).
👉 Dit komt dus door hoe het lichaam en de hersenen werken, niet omdat het kind “niet wil luisteren”.
Een hoog testostorongehalte kan ervoor zorgen dat je de neiging hebt meer risico’s te nemen.
Voorbeeld hormonale factor:
Slaapproblemen kunnen zorgen voor een verstoring van het slaaphormoon (melatonine), waardoor een kind snel boos of verdrietig is.

aanlegfactoren;
persoonlijkheid en temperament, de manier waarop een kind met zijn emoties omgaat en deze uit
- erfelijkheid, eigenschappen en persoonlijke kenmerken die worden overgedragen door biologische ouders op het kind
video met vragen
Izaak is boos
• Beschrijf in 5–8 zinnen wat je ziet aan gedragskenmerken bij Isaac.
• Wat zou het moeilijk maken om met dit gedrag om te gaan in een kinderopvang- of schoolsetting

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Video

Deze slide heeft geen instructies

DSM-VI / DSM-V
Om van een stoornis te mogen spreken moet het probleem aan bepaalde criteria of regels voldoen, zoals bijvoorbeeld staat omschreven in de DSM-IV 

Slide 9 - Tekstslide

👉 DSM-IV was: je hebt het óf wel óf niet, in aparte hokjes.
👉 DSM-5 is: het kan in verschillende mate en loopt meer in elkaar over.
opdracht
zoek op wat de DSM-IV/ V is
wat is de DSM?
wie worden erbij betrokken?

schrijf dit op 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wat is de DSM-IV/V
DSM-IV is een classificatie-systeem die ontwikkeld is voor het gebruik bij hulpverlening, opleiding en onderzoek naar en van psychische stoornissen. De DSM-IV is een richtlijn bij het stellen van een psychiatrische diagnose

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wie zijn erbij betrokken
1. GZ-psycholoog / psycholoog

Neemt vaak het voortouw in de diagnostiek

Doet gesprekken, observaties en psychologisch onderzoek

Kan (mits bevoegd) een DSM-classificatie vaststellen

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2. Psychiater

Arts met specialisatie psychiatrie

Stelt DSM-diagnoses vast, vooral bij complexere problematiek

Bekijkt ook medicatie en medische oorzaken

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

verschil psychiater en psycholoog
Psychiater = arts + medicijnen
Psycholoog = gedrag & gedachten + therapie en gesprekken

In de praktijk werken ze vaak samen:
De psychiater doet de diagnose en medicatie
De psycholoog doet de behandeling/therapie

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3. Orthopedagoog (generalist of orthopedagoog-psycholoog)

                          Een orthopedagoog is een specialist in opvoeding, ontwikkeling en gedrag, vooral bij kinderen en jongeren.


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4. School / leerkrachten / intern begeleider
      Leveren belangrijke informatie over gedrag in de klas

Vullen vaak vragenlijsten in 

Signaleren problemen 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5. Ouders / verzorgers 


Geven informatie over ontwikkeling, thuissituatie en voorgeschiedenis

Hun input is essentieel voor de beoordeling

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6. Andere betrokkenen (afhankelijk van de situatie)

Jeugdarts of huisarts (verwijzing, medische context)

Maatschappelijk werker

Jeugdzorg / wijkteam

Logopedist of fysiotherapeut (bij bijkomende problemen)

Slide 18 - Tekstslide

arts om te kijken of het gedrag niet van medische klachten kan voorkomen
conclusie dsm 
De DSM is een classificatiesysteem, geen test die je “afneemt”

Een diagnose ontstaat uit meerdere bronnen: gesprekken, observaties, tests

Alleen daartoe bevoegde professionals mogen een DSM-classificatie officieel afgeven

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

pauze
10 minuten

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Internaliserend of externaliserend gedrag
Internaliserend: gedrag waar een kind zelf last van heeft (bijv. faalangst )



Externaliserend: gedrag waar de omgeving last van heeft (bijv. agressie)




Slide 21 - Tekstslide

dan zou je denken waarom dan meisjes het 1 en jongens het ander?
daar is geen één ding voor waarom, maar heeft te maken met een mix van biologie, socialisatie en verwachtingen.
denk bijvoorbeeld aan socialisatie als meisje huilen is dat normaal als jongens huilen vinden we dat minder stoer.
opdracht
Welke situaties van internaliserend gedrag ken je uit je stageklas? beschrijf wat er gebeurde
Welke situaties van externaliserend gedrag ken je uit je stageklas? beschrijf wat er gebeurde

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stellingen

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stelling 1
“Boos gedrag krijgt sneller aandacht dan verdrietig gedrag.”

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stelling 2
“Stil gedrag valt minder op dan druk gedrag.”

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stelling 3
“Een kind leert gedrag van volwassenen.”

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

stelling 4
“Is belonen beter dan straffen?”

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

opdracht
12.03 en 12.04

Slide 28 - Tekstslide

12.03
a. Alles wat een kind meemaakt en ervaart, heeft invloed op het gedrag.
b. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        Voorbeeld biochemische factor: Een hoog testostorongehalte kan ervoor zorgen dat je de neiging hebt meer risico’s te nemen.
        Voorbeeld hormonale factor: Door bijvoorbeeld roken of alcoholgebruik tijdens de zwangerschap krijgt de baby giftige stoffen binnen via de placenta waardoor er later gedragsstoornissen kunnen ontstaan.
c. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        - De factoren (omgeving, opvoeding, sociaal, emoties en ervaringen) die invloed hebben op hoe jij met anderen omgaat en welke waarden en normen voor jou belangrijk zijn.
        - De factoren die invloed hebben op hoe je opgroeit.
d. Op de psychosociale factoren.
e. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        - Biochemische en hormonale factoren
        - Lichamelijke factoren
        - Erfelijkheid

12.04
De student kan bijvoorbeeld noemen:
- Ja, aan probleemgedrag kunnen we iets doen, aan een gedragsstoornis niet.
- Ja, als een kind een gedragsstoornis heeft dan moet het kind en dan moet ik als pedagogisch medewerker daarmee om leren gaan. Dat gaat niet meer over. Het probleemgedrag kan worden behandeld, zodat het minder wordt en over gaat.


Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies