Kosten van bedrijfsmiddelen, 16-09-2021

Planning voor de introductie
4 minuten: binnenkomst, welkom en spullen voor.
5 minuten: voorkennis testen
1 minuut: leerdoelen en huiswerk
40 minuten: uitleg en leerdoelen
5 minuten: pauze
35 minuten: Opdrachten maken
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
basis calculatiesMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Planning voor de introductie
4 minuten: binnenkomst, welkom en spullen voor.
5 minuten: voorkennis testen
1 minuut: leerdoelen en huiswerk
40 minuten: uitleg en leerdoelen
5 minuten: pauze
35 minuten: Opdrachten maken

Slide 1 - Tekstslide

Je koopt een product in en krijgt hier een factuur van. Deze betaal je nog niet. Uitgave of kost?
A
Wel een uitgave, geen kost
B
Wel een kost, geen uitgave
C
Zowel een uitgave als een kost
D
Geen kost en geen uitgave

Slide 2 - Quizvraag

Je koopt een auto van €10.000 die je in 1 keer betaalt. Uitgave of kost?
A
Wel een uitgave, geen kost
B
Wel een kost, geen uitgave
C
Zowel een uitgave als een kost
D
Geen kost en geen uitgave

Slide 3 - Quizvraag

Elk jaar wordt je auto minder waard. Is deze waardevermindering een uitgave of een kost?
A
Wel een uitgave, geen kost
B
Wel een kost, geen uitgave
C
Zowel een uitgave als een kost
D
Geen kost en geen uitgave

Slide 4 - Quizvraag

Wat zijn verspillingen?
A
Kosten die nodig zijn
B
Uitgaven die nodig zijn
C
Kosten die onnodig zijn
D
Uitgaven die onnodig zijn

Slide 5 - Quizvraag

Verspillingen in productiebedrijven zijn moeilijker te ontdekken dan in handelsbedrijven.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 6 - Quizvraag

Leerdoelen:
1. Je begrijpt waarom bedrijfsmiddelen afgeschreven worden.
2. Je kan afschrijven met een vast percentage van de aanschafwaarde.
3. Je kan afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde.

HUISWERK: Opdracht 8, 10, 11 en 12

Slide 7 - Tekstslide

kosten van duurzame bedrijfsmiddelen

deze bedrijfsmiddelen gebruik je langer dan een jaar en brengen kosten met zich mee:

-Afschrijvingskosten
-Rentekosten
-Complementaire kosten

Slide 8 - Tekstslide

Afschrijvingskosten
De investering die je in het bedrijf gedaan hebt, wil je verdelen over de jaren dat het gebruikt wordt. 
Bijvoorbeeld:
Als je een kassa koopt voor €1.500,- en je denkt deze 5 jaar te kunnen gebruiken voordat hij vervangen moet worden, dan kost je dit dus €300,- per jaar.

Slide 9 - Tekstslide

Afschrijvingskosten
Maar waarom schrijf je dan af? 

De waarde van de bedrijfsmiddelen verminderd. (denk aan bijvoorbeeld een auto, de waarde hiervan daalt ieder jaar dat hij ouder wordt). 
Deze waardevermindering noem je de afschrijving.

Slide 10 - Tekstslide

Afschrijvingskosten
Je houdt bij het bepalen van de afschrijving rekening met de 
volgende zaken:
- De aanschafwaarde:
Het bedrag waarvoor je het duurzame bedrijfsmiddel voor aangeschaft hebt
- De levensduur 
hoe lang ga je het gebruiken?
- De restwaarde
kun je het aan de einde van de levensduur nog verkopen? zoja, dan heeft het dus nog waarde! 

Slide 11 - Tekstslide

De levensduur
Dit is natuurlijk hoe lang je het gaat gebruiken. We maken hier onderscheid tussen de 
technische levensduur én de economische levensduur
Bij afschrijvingen gebruiken we altijd de economische levensduur!!!

Slide 12 - Tekstslide

Economische levensduur
Dit betekend hoe lang het rendabel is om het bedrijfsmiddel nog te gebruiken. 
Dus een auto kan nog wel rijden, maar als er heel veel onderhoud voor nodig is, dan is dat niet meer rendabel en kun je beter een nieuwe aanschaffen!
gebruik dus ALTIJD de economische levensduur!!! 

Slide 13 - Tekstslide

technische levensduur
Dit is hoe lang een bedrijfsmiddel technisch gezien meegaat, oftewel dat hij het nog doet. 
Dus een auto die rijdt, een printer die print etc.  

Slide 14 - Tekstslide

LET OP!! 
Bij afschrijvingen moet je ook rekening houden met het moment van aanschaf! 
Als iets in oktober aangeschaft is moet je voor dat jaar ook maar 3/12 deel van de jaarlijkse afschrijving berekenen!!! 

Slide 15 - Tekstslide

Manieren van afschrijving
Maar welke kies je voor?
- Met een vast percentage van de aanschafprijs. 
dit doe je wanneer de kosten in het gebruik ook ongeveer gelijk blijven
- Met een vast percentage van de boekwaarde. 
hiervoor kies je wanneer je, hoe ouder het bedrijfsmiddel wordt, hoe meer onderhoudskosten je er aan hebt. 

Slide 16 - Tekstslide

Manieren van afschrijving
- Met een vast percentage van de aanschafprijs. Dit noemen we de lineaire afschrijving
- Met een vast percentage van de boekwaarde. 
De boekwaarde is de aanschafprijs min de gedane afschrijvingen. 

Slide 17 - Tekstslide

Afschrijven met een vast percentage van de aanschafwaarde:
Formule:
aanschafwaarde - restwaarde
economische levensduur

Je kunt hem ook terugrekenen:
    
            afschrijvingsbedrag            x 100
aanschafwaarde           
Je berekend in dit geval het afschrijvingspercentage in procenten           

Nu eerst een voorbeeld:

Slide 18 - Tekstslide

Je schaft een computer aan voor €1.500,- Na 3 jaar kun je deze nog verkopen voor €300,- Bereken de jaarlijkse afschrijving met een vast percentage van de aanschafwaarde.

Slide 19 - Open vraag

Uitwerking Formule:

aanschafwaarde - restwaarde
economische levensduur




Uitwerking met getallen:

1500 - 300                 =400
          3                    


 

Slide 20 - Tekstslide

Je schaft een computer aan voor €1.500,- Na 3 jaar kun je deze nog verkopen voor €300,- Bereken het jaarlijkse afschrijvingspercentage (in % van de aanschafwaarde)

Slide 21 - Open vraag

Uitwerking Formule:

aanschafwaarde - restwaarde
economische levensduur

            afschrijvingsbedrag       x 100
  aanschafwaarde        



Uitwerking met getallen:

1500 - 300                 =400
          3                    

 400         x 100         =26,67%
1500        
 

Slide 22 - Tekstslide

Afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde. 
Bij deze methode is het afschrijvingsbedrag ieder jaar weer anders. 
Immers je rekent met een vast percentage over een lager wordend bedrag

formule voor het af te schrijven bedrag per jaar:

afschrijvingspercentage :100 x boekwaarde aan het begin van het betreffende jaar

Nu eerst een voorbeeld: 


Slide 23 - Tekstslide

Je hebt een bedrijfsauto aangeschaft voor €18.000,- die je afschrijft met 28% van de boekwaarde. Bereken de boekwaarde na het eerste jaar

Slide 24 - Open vraag

Uitwerking:
afschrijvingspercentage : 100 x boekwaarde aan het begin van het betreffende jaar

28: 100 x 18.000 = 5040
18000 - 5040 = 12960


Slide 25 - Tekstslide

Je hebt een bedrijfsauto aangeschaft voor €18.000,- die je afschrijft met 28% van de boekwaarde. Bereken de boekwaarde na het tweede jaar

Slide 26 - Open vraag

Uitwerking:
afschrijvingspercentage : 100 x boekwaarde aan het begin van het betreffende jaar

28: 100 x 12960 = 3628,8
12960 - 3628,8 = 9331,20


Slide 27 - Tekstslide

Je hebt een bedrijfsauto aangeschaft voor €18.000,- die je afschrijft met 28% van de boekwaarde. Bereken de boekwaarde na het derde jaar

Slide 28 - Open vraag

Uitwerking:
afschrijvingspercentage : 100 x boekwaarde aan het begin van het betreffende jaar

28: 100 x 9331,20 = 2612,74
9331,20 - 2612,74 = 6718,46


Slide 29 - Tekstslide

5 minuten pauze
timer
5:00

Slide 30 - Tekstslide

Aan de slag!
Wat? Maak opdracht 9, 10, 11, 12 van kosten
Hoe? In de online leeromgeving
Hulp? De docent (tijdens de les), je laptop en je medestudent.
Tijd? Tot de timer op 0 staat of de opdrachten af zijn
Uitkomst? Je hebt geoefend met de leerstof.
Klaar? Ga verder met een ander vak of met Basis calculaties
timer
35:00

Slide 31 - Tekstslide

HUISWERK
opdrachten 8, 10, 11, 12
Hoofdstuk 'kosten soorten'
Paragraaf 'kosten bedrijfsmiddelen'

Slide 32 - Tekstslide