Polaris H3 afsluiten havo-vwo2

Polaris H3 afsluiten 
2havo-vwo
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NASKNatuurkunde+1Middelbare schoolvmbo k, g, t, mavo, havo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Polaris H3 afsluiten 
2havo-vwo

Slide 1 - Tekstslide

Welke van de volgende stoffen is een zuivere stof?
A
ice tea
B
cola
C
melk
D
suiker

Slide 2 - Quizvraag

De thee die je drinkt, is een mengsel.
A
waar
B
niet waar

Slide 3 - Quizvraag

Zuiver
Zuiver
Zuiver
Mengsel
Mengsel
Mengsel

Slide 4 - Sleepvraag

Zuivere stof of mengsel?
zuivere stof
mengsel

Slide 5 - Sleepvraag

Sleep de stofeigenschappen naar het juiste vakje
6
Stofeigenschappen
Geen stofeigenschappen
Geur
Kleur
Hoeveelheid
massa
dikte
brandbaarheid
smaak
vorm
fase

Slide 6 - Sleepvraag

Tekst
Pictogrammen
 bijtend
giftig
explosief
milieu gevaarlijk
schadelijk
ontvlambaar

Slide 7 - Sleepvraag

Kies bij de pictogrammen het juiste gevaarsymbool
Ontvlambaar
Giftig
Corrosief / Bijtend

Slide 8 - Sleepvraag

dichtheid
dichtheid=volumemassa
massa=dichtheidvolume
volume=dichtheidmassa

Slide 9 - Tekstslide

Dichtheid

Slide 10 - Tekstslide

De eenheid van dichtheid is...
A
g/cm3
B
cm3/g

Slide 11 - Quizvraag

De dichtheid van de sleutel is ......... dan de dichtheid van water
A
Groter
B
Kleiner
C
Gelijk
D
Geen idee

Slide 12 - Quizvraag

De dichtheid van de badeend is ...... dan de dichtheid van water
A
Groter
B
Kleiner
C
Gelijk
D
Geen idee

Slide 13 - Quizvraag

Waar of niet waar?
Vaste stoffen zinken in water als hun dichtheid groter is dan de dichtheid van water.
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quizvraag

De blokken zijn gemaakt van hetzelfde materiaal.
Wat kun je zeggen over de dichtheid?
A
Blok 1 heeft de grootste dichtheid
B
Blok 2 heeft de grootste dichtheid
C
De dichtheid van beide blokken is gelijk
D
Je kunt niet weten welk blok de grootste dichtheid heeft

Slide 15 - Quizvraag

De dichtheid = 2,5 g/cm3.
Het volume = 4 cm3.
Bereken de massa.
A
2,54=1,6g
B
42,5=0,625g
C
2,54=10g

Slide 16 - Quizvraag

Dichtheid = 0,96 g/cm3.
massa = 84 g.
Bereken het volume.
A
0,0114cm3
B
87,5cm3
C
80,64cm3

Slide 17 - Quizvraag

Welke uitspraak is juist?
A
een atoom is opgebouwd uit een of meer moleculen.
B
een molecuul is bij alle stoffen ongeveer even groot.
C
een molecuul is een bouwsteen van een atoom.
D
een molecuul is opgebouwd uit een of meer atomen.

Slide 18 - Quizvraag

Stoffen bestaan dus uit moleculen. 
Hieronder staan drie afbeeldingen. 
Koppel de juiste afbeelding aan de juiste fase. 
Vaste fase
Vloeibare fase
Gasvormige fase

Slide 19 - Sleepvraag

Micro- & Macroniveau
Macroniveau is alles wat tastbaar en waarneembaar is

Op microniveau kijk je naar de moleculen & atomen

Slide 20 - Tekstslide

Als je naar moleculen en atomen kijkt dan kijk je op
A
microniveau
B
macroniveau

Slide 21 - Quizvraag

Als water kookt zie ik waterdamp ontstaan. Dit is een waarneming op macroniveau
A
juist
B
onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Fase
Driehoek
verdampen
condenseren
stollen
smelten
rijpen
sublimeren

Slide 23 - Sleepvraag

Zuivere stof
smelttraject
Stolpunt
Mengsel

Slide 24 - Sleepvraag

Hoveel fase-overgangen zijn er ?
A
2
B
6
C
4
D
5

Slide 25 - Quizvraag

Sleep de juiste beschrijving naar het bijbehorende deeltjesmodel.
Je kunt de moleculen gemakkelijk samenpersen.
De moleculen trekken elkaar stevig aan.
De moleculen bewegen kriskras door elkaar heen.

Slide 26 - Sleepvraag

Diagram 1
Diagram 2
Diagram 3
Diagram 4
Kookpunt
smeltpunt
Kooktraject
smelttraject

Slide 27 - Sleepvraag

In welke fase kun je een stof ruiken?
A
vaste fase
B
vloeibare fase
C
gasvormige fase

Slide 28 - Quizvraag

Wat is condenseren?

Condenseren is de faseovergang:
A
van gas naar vloeibaar
B
van vast naar vloeibaar
C
van vloeibaar naar gas
D
van vloeibaar naar vast

Slide 29 - Quizvraag

condenseren
smelten
stollen

Slide 30 - Sleepvraag

Welke fase heeft koper (smeltpunt 1085 °C - kookpunt 2562 °C) bij 500 °C?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas
D
geen idee

Slide 31 - Quizvraag

Mengsels
Je kent 2 soorten vloeibare mengsels.

Slide 32 - Tekstslide

1: Oplossingen
  • oplosmiddel is altijd een vloeistof
  • oplossing is helder, je kunt er door heen kijken
  • kan kleur hebben of kleurloos zijn 
  • opgeloste stof kan een vaste stof, een gas of andere vloeistof zijn
  • voorbeelden:

Slide 33 - Tekstslide

2: Suspensie
  • oplosmiddel is een vloeistof
  • fijn verdeelde vaste stof, zwevend in het oplosmiddel
  • altijd troebel, je kunt er niet door heen kijken
  • voorbeelden:

Slide 34 - Tekstslide

Als een oplossing geen kleur heeft, dan heet dit:
A
Doorzichtig
B
Kleurloos
C
Helder
D
Troebel

Slide 35 - Quizvraag

Hoe kunnen we een oplossing scheiden?
A
Bezinken
B
Filtreren
C
Indampen
D
Extraheren

Slide 36 - Quizvraag

Welke scheidingsmethode moeten we gebruiken bij het scheiden van zand en water?
A
Filtreren
B
Indampen
C
Destilleren
D
Extraheren

Slide 37 - Quizvraag

Welke scheidingsmethode moeten we gebruiken bij het scheiden van zout en water?
A
Bezinken
B
Indampen
C
Filtreren
D
Extraheren

Slide 38 - Quizvraag

Welke scheidingsmethode moeten we gebruiken bij het scheiden van alcohol en water?
A
Extraheren
B
Indampen
C
Destilleren
D
Filtreren

Slide 39 - Quizvraag

Indampen maakt bebruik van het verschil in ...
A
dichtheid
B
oplosbaarheid
C
deeltjes grootte
D
kookpunt

Slide 40 - Quizvraag

3.4 Indampen en destilleren
Indampen
De scheidingsmethode indampen berust op het verschil in kookpunt tussen de bestanddelen van de oplossing. 
  • De stof met het hoogste kookpunt blijft achter, het residu

Hoe kun je zout uit zeewater halen? 

Slide 41 - Tekstslide