Word order

word order
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 2

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

word order

Slide 1 - Tekstslide

De grammaticaregel:
Step 1: Bekijk in elke zin waar iets staat over de tijd. 
Step 2: Kijk in elke zin waar iets staat over de plaats.
Step 3: Wat is de goede volgorde van plaats en tijd in een zin?

1. I arrived in Kalgoorlie this monring. 
2. My friends and I had lunch at Hoovers Café in the afternoon.
3. We walked around the city centre until 5 p.m.

Slide 2 - Tekstslide

Bepaling van plaats en tijd
Bepaling van plaats --> Waar
The gardener is working in the garden
The principal is sitting in his office.
The caretaker is sweeping in the hall.

Slide 3 - Tekstslide

Bepaling van plaats en tijd
Bepaling van tijd--> Wanneer
The gardener was working this morning
The principal was sick yesterday.
The caretaker is sweeping at the moment.

Slide 4 - Tekstslide

Bepaling van plaats en tijd
Bepaling van plaats & tijd ? --> Eerst waar dan wanneer
The gardener is working in the garden this morning
The principal was sitting in his office yesterday.
The caretaker is sweeping  in the hall at the moment.

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld
Keith used to watch television in his room at bedtime.
Wie    -         doet        -          wat        -     waar       -      wanneer.

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld
Keith used to watch television in his room at bedtime.
onderwerp - werkwoord(en) - lvw - plaats - tijd

Slide 7 - Tekstslide

Onderwerp
Werk
woord
Lijdend 
voorwerp
Plaats
Tijd
I
walk
my dog
in the park
at night 

Slide 8 - Sleepvraag

onderwerp
werkwoord
lijdend / meewerkend
voorwerp

plaatsbepaling
tijdsbepaling
Jacky and Pete
aren't going
to the cinema
tonight

Slide 9 - Sleepvraag

onderwerp
werkwoord
lijdend / meewerkend
voorwerp

plaatsbepaling
tijdsbepaling
My parents
bring
to football training

every Sunday

me

Slide 10 - Sleepvraag

Correct word order:
her / in town / yesterday / I / met
A
I met her in town yesterday.
B
I met her yesterday in town.
C
I yesterday met her in town.
D
I met yesterday her in town.

Slide 11 - Quizvraag

plaats bijwoord
bijwoorden zijn bijvoorbeeld: never-often-usually
bijwaard staat:
voor 1 werkwoord: I never loved you.
tussen twee werkwoorden; I have always loved you
achter de vorm van to be: I am always in love.

Slide 12 - Tekstslide

Correct word order:
summer / we / here / are / in / usually
A
Usually we are here in summer.
B
We usually are here in summer.
C
We are usually in summer here.
D
We are usually here in summer.

Slide 13 - Quizvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
They often go out in the weekends.
B
They go often out in the weekends.

Slide 14 - Quizvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
Who gives never a straight answer?
B
Who gives a straight answer never?
C
Who never gives a straight answer?
D
Who gives a straight never answer?

Slide 15 - Quizvraag

Choose the sentence with the correct word order.
A
Doesn't she go in the weekends out?
B
Doesn't she go out in the weekends?

Slide 16 - Quizvraag