H-3 Geld, de smeerolie van ruil
H-3 Geld, de smeerolie van ruil
Deze les volgt de ontwikkeling van geld van ruilhandel naar modern fiduciair geld en eindigt bij geldschepping en inflatie.
Leerdoel
Ik kan uitleggen hoe geld is ontstaan, welke functies en vormen geld heeft, hoe de waarde van geld kan worden onderscheiden en welke rol de centrale bank speelt bij geldschepping en inflatie.
De gebruiker gaf meerdere leerdoelen. Deze zijn samengebracht in één leerlingvriendelijk doel, zoals gevraagd door de instructies.
Deze slide heeft geen instructies
Waarom geld ontstond
In een ruil-economie betaal je met goederen of diensten
Ruil werkt alleen als twee mensen precies hebben wat de ander wil
Dat kost tijd en maakt handel onhandig
Geld ontstond om ruil eenvoudiger en sneller te maken
Benadruk het probleem van de 'dubbele behoefte aan elkaar'. Dat is de kern van waarom geld economisch nuttig werd.
Van ruilmiddel naar geld
Niet elk goed is geschikt om als geld te gebruiken. In de geschiedenis werden goederen gekozen die veel mensen wilden hebben en die makkelijk doorgegeven konden worden. Zo groeide uit ruilhandel geleidelijk een systeem met een algemeen aanvaard betaalmiddel.
Noem eventueel voorbeelden als zout, graan of edelmetaal, zonder te veel uit te weiden. Het punt is algemene aanvaarding.
Goederen met geldeigenschappen
Duurzame goederen bleven langer bruikbaar
Deelbare goederen konden voor kleine en grote betalingen dienen
Schaarse goederen hielden beter hun waarde
Zo werden metalen zoals goud en zilver populair
Koppel dit alvast aan technische vereisten van geld; dat vormt een brug naar een later subonderwerp.
Het kernidee van geld
Ruilhandel → veel transactiekosten → behoefte aan een algemeen aanvaard betaalmiddel → geld.
Door geld hoeven kopers en verkopers niet meer precies elkaars producten te willen. Daardoor groeit handel gemakkelijker.
Gebruik 'transactiekosten' als economisch kernbegrip: tijd, moeite en zoekkosten dalen door geld.
Geld als ruilmiddel
Met geld koop je goederen en diensten
Geld voorkomt omslachtige directe ruil
Prijzen maken vergelijken eenvoudiger
Handel wordt sneller en overzichtelijker
Leg uit dat geld als ruilmiddel de belangrijkste startfunctie is; de andere functies bouwen daarop voort.
Geld als oppotmiddel
Als oppotmiddel kun je koopkracht bewaren voor later. Je hoeft inkomen dus niet direct uit te geven. Dat lukt alleen als mensen erop vertrouwen dat geld later nog geaccepteerd wordt.
Maak het onderscheid tussen bewaren en uitstellen van bestedingen concreet met een simpel voorbeeld: vandaag werken, later besteden.
Geld als spaarmiddel
Spaargeld zet je apart voor toekomstige uitgaven
Sparen kan thuis, maar vaak via een bankrekening
Bij sparen speelt veiligheid een grote rol
Geld blijft zo beschikbaar voor later gebruik
In veel methodes overlappen oppotmiddel en spaarmiddel deels. Houd hier het onderscheid praktisch: oppotten = waarde bewaren, sparen = bewust opzijzetten.
Drie functies van geld
Wat geld mogelijk maakt
Wat geld over tijd doet
Ruilmiddel
Direct betalen
Handel vergemakkelijken
Prijzen vergelijkbaar maken
Oppotmiddel / spaarmiddel
Koopkracht bewaren
Uitgaven uitstellen
Geld reserveren voor later
Deze slide vat de functies samen. Noem eventueel dat in veel economieboeken ook 'rekenmiddel' bestaat, maar dat dit leerdoel focust op de drie genoemde functies.
Technische vereisten aan geld
Goed geld is:
Duurzaam
Deelbaar
Draagbaar
Waardevol genoeg
Eenvoudig herkenbaar
Moeilijk na te maken
Verbind elk kenmerk aan praktisch gebruik: een betaalmiddel moet in het dagelijks verkeer bruikbaar en betrouwbaar zijn.
Waarom deze vereisten nodig zijn
Duurzaam geld slijt niet snel
Deelbaar geld past bij kleine en grote aankopen
Draagbaar geld is makkelijk mee te nemen
Herkenbaar en veilig geld vergroot vertrouwen
Laat zien dat technische vereisten uiteindelijk draaien om vertrouwen en bruikbaarheid in het betalingsverkeer.
Het ontstaan van bankbiljetten
Mensen bewaarden edelmetaal bij goudsmeden of bankiers
Zij kregen een bewijs van ontvangst
Dat bewijs kon later worden ingewisseld
Die ontvangstbewijzen gingen uiteindelijk circuleren als betaalmiddel
Benadruk dat bankbiljetten eerst een claim op metaal waren, niet meteen geld zonder dekking.
Van gedekt naar fiduciair geld
Vroeger kon een bankbiljet vaak worden ingewisseld voor goud of zilver. In moderne economieën is dat niet meer zo. Ons geld is fiduciair geld: het heeft waarde omdat mensen erop vertrouwen dat het als betaalmiddel wordt geaccepteerd.
Leg fiduciair uit als vertrouwensgeld. De waarde berust niet op metaal, maar op acceptatie en instituties.
Chartaal en giraal geld
Chartaal geld
Giraal geld
geld op betaal- en spaarrekeningen
ontstaat als tegoed bij een bank
betalingen via pinnen of overschrijven
munten en bankbiljetten
tastbaar geld
direct in handen van mensen
Maak duidelijk dat giraal geld geen briefjes of munten zijn, maar vorderingen op de bank.
Betalen in de moderne economie
Veel betalingen verlopen giraal
Chartaal geld wordt minder vaak gebruikt
Toch bestaan beide vormen naast elkaar
Samen horen ze bij het geldverkeer
Je kunt hier verwijzen naar alledaagse voorbeelden: pinnen, online bankieren, contant wisselgeld.
Intrinsieke waarde
De intrinsieke waarde is de waarde van het materiaal waaruit geld is gemaakt. Bij een gouden munt kan dat hoog zijn. Bij modern papier- of muntgeld is de intrinsieke waarde meestal veel lager dan de waarde waarmee we betalen.
Gebruik een eenvoudig voorbeeld: een muntstuk bevat weinig metaalwaarde vergeleken met het bedrag dat erop staat.
Nominale waarde
De nominale waarde is het bedrag dat op het geld staat vermeld. Een briefje van €20 heeft een nominale waarde van 20 euro, ook al is het papier zelf veel minder waard.
Leg uit dat in het dagelijks betalingsverkeer vooral de nominale waarde telt.
Reële waarde
De reële waarde gaat over wat je met geld kunt kopen
Die hangt af van het prijspeil
Bij stijgende prijzen daalt de koopkracht van geld
Hetzelfde bedrag koopt dan minder goederen
Koppel dit al voorzichtig aan inflatie: meer prijzen per euro betekent lagere reële waarde.
Externe waarde
De externe waarde van geld is de waarde ten opzichte van andere munten. Die zie je in de wisselkoers. Als de euro minder dollars oplevert dan eerst, is de externe waarde van de euro gedaald.
Beperk je tot het idee van wisselkoers; diepere valutamarktmechanismen zijn hier niet nodig.
Vier soorten waarde
Waarde in gebruik
Reële waarde
Koopkracht
Externe waarde
Waarde tegenover andere valuta
Waarde van geld zelf
Intrinsieke waarde
Materiaalwaarde
Nominale waarde
Bedrag op munt of biljet
Deze samenvatting helpt leerlingen de vier begrippen scherp uit elkaar te houden.
De Wet van Gresham
De Wet van Gresham zegt: slecht geld verdrijft goed geld. Als er twee soorten geld met dezelfde nominale waarde circuleren, maar één soort een hogere intrinsieke waarde heeft, dan houden mensen het waardevolle geld vast en betalen ze met het minder waardevolle geld.
Noem eventueel een voorbeeld met munten van verschillend metaalgehalte. Het gedrag van mensen is hier de kern.
Waarom gebeurt dat?
Mensen willen waardevol geld bewaren
Minder waardevol geld geven ze eerder uit
Daardoor verdwijnt 'goed geld' uit omloop
Het blijft thuis, wordt omgesmolten of apart gehouden
Leg uit dat de wet vooral speelt wanneer de overheid beide geldsoorten dezelfde nominale waarde geeft.
De rol van de centrale bank
De centrale bank bewaakt de waarde van geld
Zij geeft bankbiljetten uit
Zij beïnvloedt de hoeveelheid geld in de economie
Zij speelt een centrale rol in monetair beleid
Voor Nederland in de eurozone: de Europese Centrale Bank is leidend. Houd het eenvoudig op 'de centrale bank'.
Geldschepping in hoofdlijnen
Centrale bankbeleid beïnvloedt hoeveel geld banken kunnen uitlenen. Banken creëren vervolgens giraal geld wanneer zij leningen verstrekken. Zo kan de maatschappelijke geldhoeveelheid toenemen zonder dat er evenveel extra bankbiljetten nodig zijn.
Vermijd te veel technische details. Voor 4 havo is de kern: centrale bank stuurt, banken vergroten giraal geld via kredietverlening.
Maatschappelijke geldhoeveelheid
Dit is de hoeveelheid geld die mensen en bedrijven samen kunnen besteden
Daar horen chartaal en giraal geld bij
Meer krediet kan de geldhoeveelheid vergroten
Dat beïnvloedt de bestedingen in de economie
Gebruik hier indien gewenst een eenvoudig bordmodel: meer krediet → meer bestedingsruimte.
Geldhoeveelheid en inflatie
Als de maatschappelijke geldhoeveelheid sneller groeit dan de productie van goederen en diensten, kan er te veel bestedingsruimte ontstaan. Dan stijgt de vraag sterker dan het aanbod, en dat kan leiden tot inflatie: een algemene stijging van het prijspeil.
Maak duidelijk dat niet elke groei van de geldhoeveelheid automatisch inflatie veroorzaakt; het gaat om de verhouding met productie en aanbod.
Van extra geld naar prijsstijging
Meer geld in omloop → meer bestedingen → hogere vraag naar goederen en diensten → prijzen stijgen.
Bij inflatie daalt de reële waarde van geld: met hetzelfde bedrag kun je minder kopen.
Hier komt de koppeling terug met de eerdere slide over reële waarde. Dat rondt de lesinhoud inhoudelijk af.
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Ruil-economie - een economie waarin goederen en diensten direct tegen elkaar worden geruild
Geld - een algemeen aanvaard betaalmiddel
Ruilmddel - functie van geld waarmee je goederen en diensten kunt kopen
Oppotmiddel - functie van geld waarmee je koopkracht bewaart voor later
Spaarmiddel - functie van geld waarmee je geld opzijzet voor toekomstige uitgaven
Fiduciair geld - geld dat waarde heeft door vertrouwen en acceptatie
Chartaal geld - tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Giraal geld - geld op rekeningen bij banken
Intrinsieke waarde - de materiaalwaarde van geld
Nominale waarde - het bedrag dat op geld staat vermeld
Reële waarde - de koopkracht van geld
Externe waarde - de waarde van geld ten opzichte van andere valuta
Wet van Gresham - slecht geld verdrijft goed geld uit de omloop
Inflatie - algemene stijging van het prijspeil
Deze slide heeft geen instructies