Aandelen en vreemd vermogen (Bedrijfseconomie havo), les 2: Examentraining

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Examentraining

Aandelen en vreemd vermogen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casussen en rekenvragen: de opbrengst van een emissie berekenen, de invloed op de emissiekoers verklaren, een financieringsvorm kiezen en risico en voorwaarden beoordelen, met acht vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

De beursvloer van de effectenbeurs in Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Examentraining

Aandelen en vreemd vermogen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan de opbrengst van een emissie berekenen, de emissiekoers verklaren, een financieringsvorm kiezen en risico en voorwaarden beoordelen.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat wil de organisatie financieren, hoeveel geld, en voor hoe lang?

  • 2. Kies: gaat het om eigen vermogen (aandelen) of vreemd vermogen, en dan lang of kort?

  • 3. Reken of redeneer: opbrengst = emissiekoers x aantal aandelen; of weeg voor- en nadelen af.

  • 4. Antwoord: noem het begrip, geef de reden uit de casus en kijk naar risico en eisen van de verschaffer.

Deze slide heeft geen instructies

Een beursscherm met koersen van aandelen, Frankfurt

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Vraagtype 1: emissie berekenen

  • Je krijgt een aantal aandelen en een emissiekoers, of een bedrag dat de onderneming wil ophalen.

  • Gebruik: opbrengst = emissiekoers x aantal geplaatste aandelen.

  • Weet je de opbrengst en de koers? Deel de opbrengst door de emissiekoers.

Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Zonnebloem nv geeft 30.000 nieuwe aandelen uit tegen een emissiekoers van € 14,50. Wat levert de emissie op?

A

€ 435.000

B

€ 43.500

C

€ 30.014,50

D

€ 2.068,97

Syllabus 19.1. Uitwerking: 30.000 x 14,50 = 435.000. Controle: 30.000 x 14 = 420.000 en 30.000 x 0,50 = 15.000, samen 435.000. Verwachte fouten: € 43.500 (komma verkeerd geplaatst), € 30.014,50 (optellen), € 2.068,97 (delen in plaats van vermenigvuldigen).

Meridiaan nv wil € 600.000 ophalen bij een emissiekoers van € 12. Hoeveel aandelen moet de nv plaatsen?

A

7.200.000 aandelen

B

50.000 aandelen

C

600.012 aandelen

D

5.000 aandelen

Syllabus 19.1. Uitwerking: 600.000 : 12 = 50.000. Controle: 50.000 x 12 = 600.000. Verwachte fouten: 7.200.000 (vermenigvuldigen), 600.012 (optellen), 5.000 (nul vergeten).

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Vraagtype 2: invloed op de koers

  • Je krijgt een situatie op de beurs of een verwachting over de onderneming.

  • Noem het beursklimaat, de beurskoers of de toekomstverwachting en leg uit wat dat doet met de emissiekoers.

  • Reken zo nodig het effect op de opbrengst door: koers x aantal aandelen.

Deze slide heeft geen instructies

Beleggers zijn optimistisch en de beurskoers van Velo nv stijgt. Velo wil nieuwe aandelen uitgeven. Wat volgt hieruit?

A

Een lagere emissiekoers is nodig

B

De emissiekoers verandert niet door de beurs

C

Er kunnen geen nieuwe aandelen worden uitgegeven

D

Een hogere emissiekoers is haalbaar

Syllabus 19.2. Gunstig beursklimaat en hoge beurskoers: beleggers willen meer betalen, dus de emissiekoers kan hoger. Verwachte fout: denken dat de emissiekoers los staat van de beurs.

Nova nv plant 40.000 aandelen tegen € 15. Door een somber beursklimaat betalen beleggers maar € 12. Wat gebeurt er met de opbrengst?

A

€ 120.000 lager

B

€ 3 lager

C

€ 480.000 lager

D

Niets, het aantal aandelen blijft gelijk

Syllabus 19.2. Uitwerking: gepland 40.000 x 15 = 600.000; nu 40.000 x 12 = 480.000; verschil 120.000. Controle: 40.000 x 3 = 120.000. Verwachte fouten: € 3 is het verschil per aandeel, € 480.000 is de nieuwe opbrengst, en het aantal aandelen blijft wel gelijk maar de opbrengst niet.

Woonhuizen in Goirle

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Vraagtype 3: vorm kiezen

  • Je krijgt een organisatie met een doel en een looptijd, en kiest de financieringsvorm.

  • Lang geld voor lange doelen, kort geld voor tijdelijke tekorten.

  • Noem bij een voordeel of nadeel altijd het gevolg voor de organisatie zelf.

Image credit: UitGoirle / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Groenhof bv koopt een loods van € 400.000 en leent dat bij één bank, af te lossen in 20 jaar. De loods is onderpand. Welke lening?

A

Obligatielening

B

Rekening-courantkrediet

C

Hypothecaire lening

D

Afnemerskrediet

Syllabus 19.3. Onroerend goed als onderpand en een lange looptijd: hypothecaire lening. Verwachte fout: obligatielening, omdat het om een lange lening gaat. Die is verdeeld in obligaties voor veel beleggers, hier is maar één bank.

Noem één voordeel van afnemerskrediet.

Syllabus 19.4 en 19.5. Goede antwoorden: de organisatie hoeft het geld niet te lenen en betaalt er meestal geen interest over; de organisatie hoeft minder zelf voor te schieten; het geld is er al voor de levering. Verwachte fout: leverancierskrediet beschrijven (uitstel van betaling).

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Vraagtype 4: risico en eisen

  • Je krijgt een organisatie met een financieringsstructuur of een eis van de geldschieter.

  • Veel vreemd vermogen: groter faillissementsrisico en vaak meer interest.

  • Herken de eis: rendement, solvabiliteit, liquiditeit of onderpand.

Deze slide heeft geen instructies

Bedrijf A is voor 80% met vreemd vermogen betaald, bedrijf B voor 20%. Waarom loopt A meer risico op faillissement?

A

De aandeelhouders van A kunnen hun inbreng terugeisen

B

A moet over eigen vermogen een vaste interest betalen

C

A moet ook in slechte jaren interest en aflossing betalen

D

A moet elk jaar meer resultaat uitkeren aan eigenaren

Syllabus 20.1. Vreemd vermogen vraagt interest en aflossing, ook in slechte jaren. Verwachte fout: denken dat eigen vermogen verplichtingen heeft zoals vreemd vermogen. Aandeelhouders krijgen alleen iets als er resultaat is. De percentages zijn aandelen van het totale vermogen.

De bank leent Studio Kwint alleen geld als de bedrijfsauto's als zekerheid dienen. Welke voorwaarde is dit?

A

Onderpand

B

Rendementseis

C

Solvabiliteitseis

D

Liquiditeitseis

Syllabus 20.2. Een bezit dat de bank mag verkopen als er niet betaald wordt, is onderpand. Verwachte fout: solvabiliteitseis, omdat het om zekerheid voor de bank gaat. Die eis gaat over de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Emissie berekenen

2

Invloed op de koers

3

Een vorm kiezen

4

Risico en eisen

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Tips voor op het examen

  • Opbrengst van een emissie: emissiekoers x aantal aandelen. Reken terug door te delen.

  • Bij de emissiekoers noem je steeds de bron: beursklimaat, beurskoers of toekomstverwachting.

  • Kies bij een doel op lange termijn lang vermogen, bij een tijdelijk tekort kort vermogen.

  • Een voordeel of nadeel is pas goed als je het gevolg voor de organisatie noemt.

  • Solvabiliteit gaat over eigen versus vreemd vermogen, liquiditeit over betalen op korte termijn.

Deze slide heeft geen instructies