TIJD · RUIL EN RENTE
Examentraining
Ruil over de tijd en rente: zo pak je examenvragen aan
TIJD · RUIL EN RENTE
Examentraining
Ruil over de tijd en rente: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: C messier / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
TIJD · RUIL EN RENTE
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over eindwaarde, contante waarde, reële rente en renteverschillen beantwoorden en berekenen.
Deze slide heeft geen instructies
TIJD · RUIL EN RENTE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welk bedrag, welke rente, hoeveel jaar, en is de rente nominaal of reëel?
2. Kies: eindwaarde (naar later, vermenigvuldigen) of contante waarde (naar nu, delen).
3. Reken: met (1 + r)^n en rond pas aan het eind af.
4. Controleer: kan de richting kloppen? Een eindwaarde is hoger dan het begin, een contante waarde lager dan het eind.
Deze slide heeft geen instructies
TIJD · RUIL EN RENTE
1.000 euro bij 5% rente: eindwaarde naar rechts, contante waarde naar links
Vraagtype 1: eindwaarde en rente berekenen
Eindwaarde = beginwaarde x (1 + r)^n.
Rente gezocht: deel de eindwaarde door de beginwaarde en neem de n-de machtswortel.
Met rente-op-rente is de eindwaarde hoger dan met een vaste rente over het beginbedrag.
Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
Een gezin zet 4.000 euro vast tegen 5% per jaar, 3 jaar lang. Wat is de eindwaarde?
4.600,00 euro
4.200,00 euro
4.630,50 euro
3.455,35 euro
4.000 x 1,05^3 = 4.000 x 1,157625 = 4.630,50. Verwachte fouten: 4.600 (3 x 200 aan rente), 4.200 (één jaar) en 3.455,35 (contante waarde).
Een spaarder zet 2.000 euro weg; na 2 jaar staat er 2.121,80. Welke rente per jaar?
3%
6,09%
2%
4%
2.121,80 : 2.000 = 1,0609 = 1,03^2, dus 3%. Verwachte fout: 6,09%, de totale groei over twee jaar.
TIJD · RUIL EN RENTE
Vraagtype 2: nu of later kiezen
Zet beide bedragen op hetzelfde moment, meestal nu, met de marktrente.
Het bedrag met de hoogste contante waarde is het beste.
Stijgt de marktrente, dan daalt de contante waarde van toekomstige bedragen.
Deze slide heeft geen instructies
Je kiest tussen 1.000 euro nu of 1.080 euro over 1 jaar. De marktrente is 6%. Wat is beter?
1.000 nu: 1.080 is slechts 8% meer
1.000 nu: de contante waarde van 1.080 is 1.014,40
Beide zijn gelijk: de verschillen zijn klein
1.080 over een jaar: de contante waarde is 1.018,87 euro
1.080 : 1,06 = 1.018,87, meer dan 1.000. Verwachte fout: de rente vergelijken met 8% in plaats van de contante waarde te nemen.
De marktrente stijgt van 4% naar 6%. Wat gebeurt er met de contante waarde van 1.000 euro over 3 jaar?
Die stijgt, omdat de rente hoger is
Die daalt, omdat je door een groter getal deelt
Die blijft gelijk, het bedrag verandert niet
Die stijgt, omdat de looptijd gelijk blijft
Hogere rente: delen door een groter getal, dus lagere contante waarde. Verwachte fout: denken dat een hogere rente de waarde verhoogt.
TIJD · RUIL EN RENTE
Exacte reële rente naast de benadering, bij drie combinaties
Vraagtype 3: reële grootheden
Reële rente = (1 + nominaal) : (1 + inflatie) - 1.
Nominaal gevraagd: (1 + reëel) x (1 + inflatie) - 1.
Reële eindwaarde: deel de nominale eindwaarde door het prijsniveau, of reken met de reële rente.
Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0
Je wilt exact 2% reële rente. De verwachte inflatie is 3%. Welke nominale rente?
5,06%
5,00%
0,98%
6,06%
1,02 x 1,03 = 1,0506, dus 5,06%. Verwachte fouten: 5,00% (optellen), 0,98% (1,03 : 1,02 - 1) en 6,06%.
Je zet 1.000 euro weg tegen 5%, 2 jaar. De inflatie is 2% per jaar. Reële eindwaarde, in euro's van nu?
1.102,50 euro
1.060,90 euro
1.059,69 euro
1.080,88 euro
1.102,50 : 1,02^2 = 1.102,50 : 1,0404 = 1.059,69. Verwachte fouten: 1.102,50 (nominaal), 1.060,90 (reële rente benaderd als 3%) en 1.080,88 (maar één jaar gedeeld door de inflatie).
TIJD · RUIL EN RENTE
Beurs van Berlage aan het Damrak, Amsterdam, 2019
Vraagtype 4: rente, risico en sector
Benoem de oorzaak: looptijd, liquiditeit, risico op wanbetaling of inflatierisico.
Houd andere factoren gelijk: wat verschilt er tussen de twee leningen?
Koppel de oorzaak aan de richting: meer risico of minder liquide betekent meer rente.
Image credit: Warren LeMay / Wikimedia Commons, CC0
Een bedrijf en de staat lenen beide voor 5 jaar. Het bedrijf betaalt 6%, de staat 3%. Wat verklaart dit?
De lening van het bedrijf heeft een langere looptijd
Het bedrijf heeft meer kans op wanbetaling
Het bedrijf heeft een hogere liquiditeit
Het bedrijf heeft een lagere tijdsvoorkeur
De looptijd is gelijk, dus het risico op wanbetaling verklaart het verschil. Verwachte fout: de looptijd of liquiditeit noemen.
Rente op 5 jaar hoger dan op 1 jaar: waarom?
Goed: langer vastzetten betekent meer uitstel en meer onzekerheid (inflatierisico, wanbetaling) en vaak minder liquiditeit. Verwachte fout: alleen 'je wacht langer' zonder risico.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Eindwaarde en rente
Nu of later kiezen
Reële grootheden
Rente, risico en sector
Deze slide heeft geen instructies
TIJD · RUIL EN RENTE
Tips voor op het examen
Rond pas af aan het einde: tussenuitkomsten houd je volledig.
Eindwaarde: vermenigvuldigen met (1 + r)^n. Contante waarde: delen door (1 + r)^n.
Controleer altijd de richting van je antwoord.
Reële rente: delen, niet aftrekken, tenzij de vraag een benadering toestaat.
Deze slide heeft geen instructies