3.2 Chemische hoeveelheid

3.2 Chemische hoeveelheid
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

3.2 Chemische hoeveelheid

Slide 1 - Tekstslide

Deze les

  • Uitleg mol en avogadro
  • Lezen 3.2 (niet molair volume)

  • Bestuderen VB opgaven 1 +3
  • Maken 20, 21, 22, 24, 28, 30
  • Uitleg molair volume
  • Lezen 3.2 molair volume
  • Maken 23 + 27


Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt de molaire massa van stoffen berekenen m.b.v. Binas tabel 99.
  • Je kunt berekeningen uitvoeren met de molaire massa (massa  mol en andersom).
  • Je kunt berekeningen uitvoeren met het molair volume (volume  mol en andersom).

Slide 3 - Tekstslide

Atomaire massa eenheid
  • Molecuulmassa gegeven in u (unit)
  • 1 u = 1,66*10-27 kg (Binas 7A)
  • Hiermee kun je uitrekenen hoeveel moleculen aanwezig zijn in een bepaalde massa.
  • Moleculen zijn zo licht, dat je bij een experiment enorm veel moleculen gebruikt.
  • Dit rekent niet handig, daarom is de chemische hoeveelheid, mol bedacht.



Slide 4 - Tekstslide

Begrippen van hoeveelheid

  • Dozijn 
  • Gros 
  • Duo

Een dozijn eiereren, kippen, olifanten of wat dan ook, het is altijd een vaste hoeveelheid.

Slide 5 - Tekstslide

Begrippen van hoeveelheid

  • De mol is ook zo'n vaste hoeveelheid.
  • 1 mol = 6,02*1023 (moleculen)
  • = Constante van Avogadro (NA), zie Binas 7A

Dus 1 mol water bestaat uit evenveel moleculen als 1 mol goud!



Slide 6 - Tekstslide

Rekenen van mol naar moleculen





NA = constante van Avogadro in mol-1 (Binas 7A)

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld 1
Bereken hoeveel moleculen aanwezig zijn in 3,0 mol goud.

Antwoord
3,0 mol *  6,02*1023 = 18*1023 moleculen

Denk aan de significantie!

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld 2
Bereken hoeveel mol overeenkomt met 4,5*1024 moleculen.

Antwoord
4,5*1024 /  6,02*1023 = 7,5 mol 


Slide 9 - Tekstslide

Hoeveel moleculen zijn aanwezig in 2,00 mol zwaveldioxide?
A
12,04*10^24
B
1,20*10^24
C
3,32*10^-24
D
3,3*10^-24

Slide 10 - Quizvraag

Moleculen of mol afwegen?!
  • Elk atoom heeft een eigen massa = atoommassa
  • Elk molecuul heeft dus ook een eigen massa = molecuulmassa
  • Molecuulmassa reken je uit door atoommassa's bij elkaar op te tellen.

Slide 11 - Tekstslide

Massa afwegen in u?!
  • De molecuulmassa druk je uit in u (1 u = 1,66*10-27 kg)
  • Niet echt handig rekenen...
  • Dus gebruiken we de mol!
  • Maar hoe dan?!


Slide 12 - Tekstslide

Molaire massa
  • De molecuulmassa druk je uit in u (1 u = 1,66*10-27 kg)
  • De molaire massa (M) druk je uit in gram per mol (g mol-1)
  • Molecuulmassa en molaire massa zijn gelijk, maar met een andere eenheid. (Dankzij Avogadro)
  • Molecuulmassa H2O = 18,016 u
  • Molaire massa H2O = 18,016 g mol-1 (Zie ook Binas 98)


Slide 13 - Tekstslide

Blokschema chemisch rekenen
p = dichtheid (Binas tabel 8-12)
M = molaire massa (Binas tabel 98/99)
NA = getal van Avogadro (Binas tabel 7)

Slide 14 - Tekstslide

Voorbeeld 3
Bereken hoeveel mol overeenkomt met 25 gram water.

Antwoord
Molaire massa H2O = 18,015 g/mol
n = m / M
n = 25 g / 18,015 g/mol = 1,4 mol


Slide 15 - Tekstslide

Voorbeeld 4
Bereken hoeveel gram overeenkomt met 0,32 mol stikstof.

Antwoord
Molaire massa N2 = 14,01*2=28,02 g/mol
m = n * M
n = 0,32 mol * 28,02 g/mol = 9,0 g


Slide 16 - Tekstslide

Hoeveel mol komt overeen met 120 gram ijzer?
A
7,22*10^25
B
2,00*10^-22
C
2,15 mol
D
6,70*10^2 mol

Slide 17 - Quizvraag

Aan de slag

  • Lezen 3.2 (niet molair volume)

  • Bestuderen VB opgaven 1 +3
  • Maken 20, 21, 22, 24, 28, 30


Slide 18 - Tekstslide

Molair volume (Vm)
Gassen hebben een vast volume bij vaste temperatuur en druk.

Slide 19 - Tekstslide

Voorbeeldsom

Slide 20 - Tekstslide

Aan de slag

  • Lezen 3.2 molair volume
  • Maken 23 + 27


Slide 21 - Tekstslide