Kantoortoren The Rock op de Zuidas, Amsterdam. Foto: Fred Romero, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Vreemd vermogen en eisen
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Kantoortoren The Rock op de Zuidas, Amsterdam. Foto: Fred Romero, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Vreemd vermogen en eisen
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D2 21.5-21.10, 22.2. Image credit: Fred Romero / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan vormen van lang en kort vreemd vermogen vergelijken, het agio op obligaties berekenen en de voorwaarden van vermogensverschaffers uitleggen.
Deze slide heeft geen instructies
Een bedrijf wil € 5 miljoen lenen: bij wie, in welke vorm en wat vraagt de verschaffer?
Verwachte woorden: bank, obligatie, hypotheek, krediet, onderpand, interest, rendement, zekerheid, aflossing. Deel ze later in de les in: lang vreemd vermogen, obligaties, kort vreemd vermogen en voorwaarden.
Kantoortoren The Rock op de Zuidas, Amsterdam. Foto: Fred Romero, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Lang vreemd vermogen
Lang vreemd vermogen is geleend geld dat je pas na meer dan een jaar terugbetaalt.
Hypothecaire lening: een bank leent tegen onderpand, zoals een gebouw of grond.
Onderhandse lening: één verschaffer, de voorwaarden spreek je samen af. Niet verhandelbaar.
Obligatielening: veel beleggers lenen via obligaties. Die komen op de volgende dia.
Syllabus 21.5: de verschillen tussen de vormen van lang vreemd vermogen noemen (hypothecaire lening, onderhandse lening, gewone en converteerbare obligatielening). Lang vreemd vermogen heeft een looptijd van meer dan een jaar. Het onderpand bij de hypothecaire lening is vaak onroerend goed. Veelgemaakte fout: een onderhandse lening gelijkstellen aan een lening met onderpand; onderhands zegt iets over de verschaffer en de verhandelbaarheid, niet over zekerheid. Image credit: Fred Romero / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Obligatielening
Een obligatielening wordt verdeeld in kleine gelijke delen, de obligaties, die beleggers kopen.
De houder is schuldeiser: die krijgt vaste interest en aflossing, en wordt geen aandeelhouder.
Bij een gewone obligatielening blijft het een lening tot de aflossing.
Bij een converteerbare obligatielening mag de houder omruilen voor aandelen, tegen vooraf vastgelegde voorwaarden.
Daarom is de interest op een converteerbare obligatie meestal lager dan op een gewone.
Syllabus 21.5. De les Financieringsmogelijkheden en vermogensmarkt introduceerde de obligatie al als vermogenstitel; hier gaat het om de keuze en de vergelijking. Het omruilrecht heeft waarde voor de belegger, dus de belegger accepteert een lagere interest. Veelgemaakte fout: denken dat de houder van een converteerbare obligatie meteen aandeelhouder is; dat gebeurt pas na omruilen.
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Converteerbaar of gewoon?
Voordeel voor de organisatie: lagere interest, en bij omruilen hoeft zij de lening niet terug te betalen.
Voordeel voor de belegger: zekerheid van interest, en bij een stijgende aandelenkoers kan die omruilen.
Nadeel voor de organisatie: na omruilen zijn er nieuwe aandeelhouders, dus minder zeggenschap en een lager resultaat per aandeel.
Nadeel: vooraf weet je niet of het lang vreemd vermogen blijft of straks eigen vermogen wordt.
Een gewone obligatielening: vaste last van interest en aflossing, maar bestaande aandeelhouders houden hun aandeel.
Syllabus 21.6 en 21.7: voor- en nadelen van een converteerbare obligatielening vergelijken met die van een gewone, en de keuze voor een organisatie uitleggen. Redeneer altijd vanuit twee partijen: de organisatie en de belegger. Veelgemaakte fout: alleen voordelen noemen, of vergeten dat omruilen de zeggenschap en het resultaat per aandeel raakt.
Een bv wil € 8 mln lenen bij één pensioenfonds, met zelf afgesproken voorwaarden. De lening is niet verhandelbaar. Welke vorm is dit?
Een gewone obligatielening
Een hypothecaire lening
Een converteerbare obligatielening
Een onderhandse lening
Syllabus 21.5. Eén verschaffer en niet verhandelbaar betekent onderhands. Verwachte fout: gewone obligatielening kiezen omdat het een grote lening is; een obligatielening wordt juist in delen verhandeld. Een hypothecaire lening vraagt onroerend goed als onderpand en dat staat er niet.
Vul in
Bij een converteerbare obligatielening mag de houder omruilen voor aandelen, daarom is de interest meestal lager dan bij een gewone obligatielening.
Syllabus 21.5 en 21.6. Verwachte fout: aflossen kiezen; omruilen is een andere uitkomst dan aflossing.
Obligatie van de Pruisische Staatsschuldenverwaltung, 1927. Publiek domein
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Drie waarden van een obligatie
Nominale waarde: het bedrag op de obligatie. Daarover betaal je interest en dat los je af.
Emissiekoers: de prijs bij uitgifte. Dit bedrag ontvangt de organisatie.
Beurskoers: de prijs op de beurs tussen beleggers. Dat geld gaat niet naar de organisatie.
Koersen staan in procenten van de nominale waarde: koers 103 betekent 103% van het nominale bedrag.
Syllabus 21.8: de verschillen tussen nominale waarde, beurskoers en emissiekoers van een obligatie uitleggen en berekenen. In deze les is de aflossing gelijk aan de nominale waarde en berekenen we de interest over de nominale waarde. Hoe de beurskoers beweegt staat in de les Koersen en marktefficiëntie; herhaal dat hier niet. Veelgemaakte fout: denken dat de organisatie ook ontvangt wat beleggers op de beurs onderling betalen. Image credit: Preußische Staatsschuldenverwaltung / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Agio op obligaties
Agio op obligaties: de emissiekoers ligt boven de nominale waarde. Je ontvangt meer dan je aflost.
Ontvangen bedrag = aantal obligaties x nominale waarde x emissiekoers (in procenten).
Agio = ontvangen bedrag min totale nominale waarde.
Biedt de vaste interest meer dan de marktrente, dan betalen beleggers extra: de emissiekoers ligt boven 100%.
Het agio is voor de organisatie een extra ontvangst die zij niet hoeft terug te betalen.
Syllabus 21.9: het agio op obligaties uitleggen en berekenen. Vergelijk met het agio op aandelen uit de les Aandelen, emissie en dividend: daar gaat het om aandelen, hier om obligaties. Veelgemaakte fout: het agio in procenten laten staan in plaats van in euro's, of het agio als extra lening zien die ook wordt afgelost.
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Rekenvoorbeeld obligatielening
Hendrik nv geeft 4.000 obligaties uit: nominale waarde € 500, vaste interest 3,5%, emissiekoers 103%.
Totale nominale waarde: 4.000 x € 500 = € 2.000.000. Ontvangen: € 2.000.000 x 1,03 = € 2.060.000.
Agio: € 2.060.000 min € 2.000.000 = € 60.000.
Interest per jaar: 3,5% x € 2.000.000 = € 70.000, altijd over de nominale waarde.
Aflossing: € 2.000.000. Je ontving € 60.000 meer dan je terugbetaalt.
Syllabus 21.8 en 21.9. Reken na: 4.000 x 500 = 2.000.000; 2.000.000 x 1,03 = 2.060.000; agio 60.000; interest 0,035 x 2.000.000 = 70.000. Schattingscontrole: 103% van 2 miljoen is iets meer dan 2 miljoen, dus een agio. Veelgemaakte fout: de interest over het ontvangen bedrag berekenen.
Een organisatie geeft 2.000 obligaties uit met een nominale waarde van € 1.000 tegen een emissiekoers van 101,5%. Hoeveel agio is dat?
€ 2.030.000
€ 30.000
€ 15.000
€ 1.500
Syllabus 21.9. Totaal nominaal € 2.000.000, ontvangen € 2.030.000, agio € 30.000. Tweede controle: € 15 per obligatie x 2.000 = € 30.000. Verwachte fout: het ontvangen bedrag als agio noemen (€ 2.030.000) of de koers (1,5%) niet omrekenen naar euro's.
Zet de stappen op volgorde om het agio te vinden
Syllabus 21.9. Volgorde volgt de rekenregels op de dia Agio op obligaties.
Magazijn met kisten met voorraad. Foto: Nationaal Archief, CC0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Kort vreemd vermogen
Rekening-courantkrediet: rood staan tot een maximum, interest alleen over het opgenomen bedrag.
Ontvangen leverancierskrediet: je krijgt de goederen nu en betaalt pas later, bijv. na 30 dagen.
Ontvangen afnemerskrediet: je klant betaalt vooraf, bijvoorbeeld een aanbetaling op maatwerk.
Kort vreemd vermogen loopt korter dan een jaar en dekt de dagelijkse geldbehoefte.
Syllabus 21.10: de verschillen tussen vormen van kort vreemd vermogen noemen: rekening-courantkrediet (bankkrediet), ontvangen leverancierskrediet en ontvangen afnemerskrediet. Veelgemaakte fout: leverancierskrediet en afnemerskrediet verwisselen: bij leverancierskrediet ben jij de koper die later betaalt, bij afnemerskrediet ben jij de verkoper die vooraf betaald krijgt. De keuze tussen lang en kort geld (21.7): een bedrijfsmiddel dat lang meegaat financier je met lang geld, schommelingen in de geldbehoefte met kort geld. Image credit: Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
Distributiecentrum in Bleiswijk. Foto: FaceMePLS, CC BY 2.0
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Voorwaarden van verschaffers
Vermogensverschaffers, zoals banken en beleggers, stellen voorwaarden omdat zij risico lopen.
Onderpand: zekerheid, zoals een gebouw, die de verschaffer mag verkopen bij wanbetaling.
Duurzaamheid: de verschaffer eist dat je duurzaam onderneemt: oog voor milieu en maatschappij.
Rendementseis: het rendement dat de verschaffer wil past bij het risico: meer risico, meer eis.
Syllabus 22.2: de voorwaarden die vermogensverschaffers stellen uitleggen: onderpand, duurzaamheid, rendementseis, solvabiliteitseis en liquiditeitseis. Deze dia: onderpand, duurzaamheid en rendementseis; de volgende dia de solvabiliteits- en liquiditeitseis. Het effect van de verhouding eigen en vreemd vermogen op interest en faillissementsrisico komt in een andere les. Duurzaamheid leggen leerlingen in een casus uit vanuit de tekst: wat de verschaffer vraagt over de manier van ondernemen. Veelgemaakte fout: onderpand en rendementseis verwisselen: onderpand is zekerheid voor de verschaffer, de rendementseis is de beloning voor het risico. Image credit: FaceMePLS / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Dichtgetimmerde winkelpui, Parsons Avenue (VS). David E. Lucas, publiek domein
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Solvabiliteit en liquiditeit
Solvabiliteitseis: de verschaffer eist een minimum voor de solvabiliteit van de organisatie.
Solvabiliteit: elk verhoudingsgetal tussen EV, VV en TV, bijvoorbeeld EV : TV x 100%.
Liquiditeitseis: een minimum voor de liquiditeit, dus op korte termijn kunnen betalen.
current ratio = vlottende activa : kort VV; quick ratio = idem, zonder voorraden. Niet gegeven in het examen.
Syllabus 22.2, formules uit Bijlage 4: die staan niet in de examenopgave, leerlingen moeten ze kennen. Hier alleen zover nodig om een eis te toetsen; het berekenen en analyseren van kengetallen (32.2) komt in het onderwerp Kengetallen en rentabiliteitsanalyse. Solvabiliteit gaat over de lange termijn (kan de organisatie alle schulden dragen), liquiditeit over de korte termijn (kan ze nu betalen). Bij solvabiliteit mag volgens de syllabus elk verhoudingsgetal tussen EV, VV en TV; in de les en de opgaven staat dan welk verhoudingsgetal de verschaffer bedoelt. Veelgemaakte fout: de eisen door elkaar halen: de solvabiliteitseis met de current ratio toetsen, of het quick ratio berekenen met voorraden erbij. Image credit: David E. Lucas / Wikimedia Commons, publiek domein
De bank van Kasper bv eist een current ratio van minstens 1,40. Vlottende activa € 300.000, kort vreemd vermogen € 200.000. Kasper koopt voorraad van € 100.000 op leverancierskrediet. Voldoet Kasper bv nog?
Ja, de current ratio blijft 1,50
Ja, de current ratio stijgt naar 2,00
Nee, de current ratio wordt 1,33
Nee, de current ratio wordt 0,75
Syllabus 21.10 en 22.2. Voor: 300.000 : 200.000 = 1,50. Na: (300.000 + 100.000) : (200.000 + 100.000) = 1,33, onder de eis van 1,40. Verwachte fout: denken dat de koop niets verandert (1,50) of de breuk omdraaien (0,75).
Vul in
Wie meer risico loopt, stelt een hogere rendementseis. De solvabiliteitseis gaat over de lange termijn, de liquiditeitseis over de korte.
Syllabus 22.2. Meer risico voor de verschaffer betekent een hogere rendementseis. Solvabiliteit gaat over het dragen van alle schulden (lange termijn), liquiditeit over nu kunnen betalen (korte termijn). Verwachte fout: liquiditeitseis en solvabiliteitseis omdraaien.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Agio op obligaties berekenen
Converteerbaar of gewoon
Soorten kort vreemd vermogen
Solvabiliteits- en liquiditeitseis
Bespreek eerst het onderdeel dat de meeste leerlingen kiezen.
Waarom stelt een bank een liquiditeitseis?
Syllabus 22.2. Een goed antwoord: de bank wil zeker weten dat de organisatie op korte termijn haar rekeningen, interest en aflossing kan betalen; zo loopt de bank minder risico. Verwachte fout: liquiditeit verwarren met solvabiliteit (de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen).
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Begrippen (1/2)
hypothecaire lening: Lening van een bank tegen onderpand, zoals onroerend goed.
onderhandse lening: Lening bij één verschaffer, met zelf afgesproken voorwaarden.
converteerbare obligatielening: Obligatielening waarvan de houder mag omruilen voor aandelen; een gewone obligatielening kan dat niet.
agio op obligaties: Verschil als de emissiekoers boven de nominale waarde ligt.
rekening-courantkrediet: Bankkrediet: rood staan tot een maximum, interest over het opgenomen bedrag.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN
Begrippen (2/2)
leverancierskrediet en afnemerskrediet: Leverancierskrediet: je betaalt later. Afnemerskrediet: je klant betaalt vooraf.
onderpand: Zekerheid die de verschaffer mag verkopen als je niet betaalt.
rendementseis: Het rendement dat een verschaffer wil voor het risico dat die verschaffer loopt.
solvabiliteitseis: Minimum voor de solvabiliteit: een verhouding tussen EV, VV en TV.
liquiditeitseis: Minimum voor de liquiditeit: op korte termijn kunnen betalen.
Deze slide heeft geen instructies