Opdracht:
In je groepje ( +/- 4) ga je het volgende doen;
- Neem een casus waarbij je te maken had met een moeilijke zorgvrager.
- Wat gebeurde er?
- Denk je dat er sprake was van overdracht en/of tegenoverdracht?
- Wat waren jouw acties? Had dit het gewenste effect?
- Wat was het effect op de groep?
- Welke vaardigheden bezit je die je de volgende keer zou kunnen inzetten?