1.3 Wat bepaalt je welvaart?

H1 Inkomen en welvaart


§ 1.1 Hoe besteed jij je geld?
§ 1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde.
§ 1.3 Wat bepaalt je welvaart?
§ 1.4 Help, de prijzen stijgen!
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 4

In deze les zitten 43 slides, met tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

H1 Inkomen en welvaart


§ 1.1 Hoe besteed jij je geld?
§ 1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde.
§ 1.3 Wat bepaalt je welvaart?
§ 1.4 Help, de prijzen stijgen!

Slide 1 - Tekstslide

We gaan beginnen!
Op tafel: 
je boek, 
een schrift, 
een pen én 
je rekenmachine

Slide 2 - Tekstslide

§ 1.3 Opbouw van de les
Herhaling vorige les: Lorenzcurve
      5 min
Lesdoelen
      5 min
Uitleg % verandering + opgave
     15 min
Uitleg schaarste en (brede) welvaart
     10 min
Twee stellingen
     10 min
Uitleg indexcijfers + opgaven
     15 min
Aan de slag!
     15 min
Exit-ticket en afsluiting
     10 min

Slide 3 - Tekstslide

<span style="font-weight:bold">5%</span>
1
1  Hoeveel % van het totale inkomen wordt verdiend door de armste 20%?
2  Hoeveel % van het totale inkomen wordt verdiend door de rijkste 20%?
<span style="font-weight:bold">100% - 55% = 45%</span>
2
Noteer in je schrift!
Lorenzcurve

Slide 4 - Tekstslide

Aan het eind van deze les kun je:
  • een verandering in procenten berekenen;
  • het belang van prioriteiten stellen uitleggen;
  • het begrip schaars in de economie uitleggen;
  • het onderscheid tussen welvaart en brede welvaart uitleggen;
  • indexcijfers berekenen.

DE LESDOELEN
GOAL!

Slide 5 - Tekstslide

Jullie mogen gaan staan!

Jullie krijgen een stelling 
te zien op het bord.

Ben je het eens: 
dan loop je naar de kasten.
Ben je het oneens: 
dan loop je naar de ramen.

Slide 6 - Tekstslide

Maken: Opgave 9 (blz. 20)
   (nieuw - oud) ÷ oud x 100%    

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

     Stijging of daling in procenten =
(nieuw - oud) ÷ oud × 100%

Slide 9 - Tekstslide

     Stijging of daling in procenten =
(nieuw - oud) ÷ oud × 100%
  Absolute stijging: stijging in aantal of geld.
  Relatieve stijging: stijging in procenten.

Slide 10 - Tekstslide

Opgave 9 (blz. 20)

  • 1  (€ 894 − € 825) ÷ € 825 × 100% = 8,36... --> 8,4% gestegen
  • 2  (698 − 754) ÷ 754 × 100% = -7,42... --> -7,4% -->                                                                                                                          7,4% gedaald
  • 3  (32 − 40) ÷ 40 × 100% = -20% --> 20% gedaald
  • 4  (2,4 − 0,5) ÷ 0,5 × 100% = 380% gestegen


   (nieuw - oud) ÷ oud x 100%    

Slide 11 - Tekstslide

§ 1.3 Opbouw van de les
Herhaling vorige les: Lorenzcurve
      5 min
Lesdoelen
      5 min
Uitleg % verandering + opgave
     15 min
Uitleg schaarste en (brede) welvaart
     10 min
Twee stellingen
     10 min
Uitleg indexcijfers + opgaven
     15 min
Aan de slag!
     15 min
Exit-ticket en afsluiting
     10 min

Slide 12 - Tekstslide

Middelen: tijd en geld
Prioriteiten stellen: welke behoeften vind ik het belangrijkst, want middelen zijn beperkt aanwezig

Schaars: economische betekenis:
                het is niét onbeperkt beschikbaar. 
                Er zijn (productie)middelen nodig!          


schaarse goederen
je betaalt een prijs, bijv. electriciteit, kraanwater, festival
vrije goederen
geen middelen nodig, bijv. zon(licht), regenwater, vriendschap
volgende slide: 
video 1

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link

Welvaart = de mate waarin je met je beschikbare  
                     middelen in je behoeften kunt voorzien.

De welvaart kan toenemen door:
- het kopen van goederen en diensten = consumeren
- zelfvoorziening
- collectieve voorzieningen

Welzijn: hoe gelukkig zijn de mensen?
                wat is de kwaliteit van leven?

<span style="font-weight: bold">worden geleverd en betaald door de overheid, bijv. onderwijs en gezondheidszorg</span>
<span style="font-weight: bold">zelf produceren van goederen en diensten, bijv. zonnepanelen en eten verbouwen</span>
tijd en geld
primaire en secundaire

Slide 15 - Tekstslide

Welvaart = de mate waarin je met je beschikbare  
                     middelen in je behoeften kunt voorzien.

Welzijn: hoe gelukkig zijn de mensen?
                wat is de kwaliteit van leven?

tijd en geld
primaire en secundaire
Brede welvaart
<b>welvaart én welzijn</b>

Slide 16 - Tekstslide

 Eens: loop richting de kasten
 Oneens: loop richting de ramen
Stelling 1:
'Meer welvaart heeft negatieve gevolgen voor ons welzijn.'

Slide 17 - Tekstslide

 Eens: loop richting de kasten
 Oneens: loop richting de ramen
Stelling 2:
'Door goedkope vliegvakanties neemt ons
welzijn toe.'

Slide 18 - Tekstslide

§ 1.3 Opbouw van de les
Herhaling vorige les: Lorenzcurve
      5 min
Lesdoelen
      5 min
Uitleg % verandering + opgave
     15 min
Uitleg schaarste en (brede) welvaart
     10 min
Twee stellingen
     10 min
Uitleg indexcijfers + opgaven
     15 min
Aan de slag!
     15 min
Afsluiting
     10 min

Slide 19 - Tekstslide

CBS:
verzamelt allerlei informatie, o.a. 
over economische veranderingen

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Link

berekent het cpi =
consumentenprijsindexcijfer
  Indexcijfers:
  * basisjaar: indexcijfer = 100
  * geen %-teken erachter

Slide 22 - Tekstslide

Prijsveranderingen berekenen
Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100
indexcijfer in het basisjaar = 100
     Stijging of daling in procenten = (nieuw - oud) ÷ oud × 100%

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Maken: Rekenopgaven 11 + 12 (blz. 33)
 Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100   
Noteer de berekeningen in je schrift!

Slide 25 - Tekstslide

Rekenopgave 11 (blz. 33)
 Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100   

Slide 26 - Tekstslide

Rekenopgave 11 (blz. 33)
   (680÷ 900) × 100 = 75,5...
 Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100    

Slide 27 - Tekstslide

Rekenopgave 11 (blz. 33)
   (680÷ 900) × 100 = 75,5...
 Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100    
   (769 ÷ 900) × 100 = 85,4...

Slide 28 - Tekstslide

Rekenopgave 11 (blz. 33)
   (680÷ 900) × 100 = 75,5...
 Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100    
   (769 ÷ 900) × 100 = 85,4...
   (1.006 ÷ 900) × 100 = 111,7...

Slide 29 - Tekstslide

Rekenopgave 11 (blz. 33)
   (680÷ 900) × 100 = 75,5...
 Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100    
   (769 ÷ 900) × 100 = 85,4...
   (1.006 ÷ 900) × 100 = 111,7...
   (1.123 ÷ 900) × 100 = 124,7...

Slide 30 - Tekstslide

Rekenopgave 12 (blz. 33)
Gegeven: basisjaar index 100 = € 1.960

Slide 31 - Tekstslide

Rekenopgave 12 (blz. 33)
Gegeven: basisjaar index 100 = € 1.960

Slide 32 - Tekstslide

Rekenopgave 12 (blz. 33)
Gegeven: basisjaar index 100 = € 1.960
  (2.312,80 ÷ 1.960) × 100 = 118

Slide 33 - Tekstslide

Rekenopgave 12 (blz. 33)
Gegeven: basisjaar index 100 = € 1.960
  (2.312,80 ÷ 1.960) × 100 = 118
   1.960 ÷ 100 × 127 = € 2.489,20

Slide 34 - Tekstslide

Rekenopgave 12 (blz. 33)
Gegeven: basisjaar index 100 = € 1.960
  (2.312,80 ÷ 1.960) × 100 = 118
   1.960 ÷ 100 × 127 = € 2.489,20
  (2.646 ÷ 1.960) × 100 = 135

Slide 35 - Tekstslide

Rekenopgave 12 (blz. 33)
Gegeven: basisjaar index 100 = € 1.960
  (2.312,80 ÷ 1.960) × 100 = 118
   1.960 ÷ 100 × 127 = € 2.489,20
  (2.646 ÷ 1.960) × 100 = 135
   1.960 ÷ 100 × 140 = € 2.744,-

Slide 36 - Tekstslide

Aan de slag! Jij kiest:
Maken: § 1.3
opg. 1 t/m 7 (blz. 18)
Zelf nakijken via Magister ELO Studiewijzers
De theorie
Maken: § 1.3
opg. 11 + 12 (blz. 20)
Rekenen
timer
10:00

Slide 37 - Tekstslide

Lesafsluiting

* Schrijf drie woorden in je schrift op die laten zien wat je 
deze les geleerd hebt.
* Schrijf daarna de betekenis van jouw woorden op.
* Bespreek dit met je buurvrouw of buurman.

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Video

Middelen die nodig zijn om behoeften te vervullen:
  • Tijd
  • Geld

Doordat deze middelen beperkt zijn, moet je als consument keuzes maken. Je moet prioriteiten stellen (bepalen wat je het belangrijkst vindt).

Slide 40 - Tekstslide

'Schaarste' bij het vak economie
Er zijn (productie)middelen nodig om het te kunnen verkrijgen. 
Voor schaarse goederen betaal je dus een prijs!!!
Hoe schaarser het product (dus meer middelen nodig), hoe hoger de prijs!


Slide 41 - Tekstslide

Tegenover schaarse goederen staan 
vrije goederen

Voor vrije goederen zijn geen middelen nodig en hoef je geen prijs te betalen, zoals zeewater, lucht, zonlicht en wind.

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide